ECLI:NL:RBSGR:2006:AX3993
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Toegangsweigering Nederland onrechtmatig wegens ontbreken schriftelijke beslissing volgens WBV 2006/16
Verzoeker, een Iraakse vreemdeling, werd op 6 april 2006 de toegang tot Nederland geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verzoeker stelde dat de toegangsweigering niet schriftelijk en niet conform de voorschriften van WBV 2006/16 (model M31) was uitgevoerd, waardoor geen rechtsgeldige beslissing tot weigering tot stand kwam.
De rechtbank bevestigde dat sinds de inwerkingtreding van WBV 2006/16 een toegangsweigering schriftelijk moet worden medegedeeld met een standaardformulier (model M31). Omdat verzoeker alleen mondeling werd geweigerd en het formulier niet werd uitgereikt, was de toegangsweigering onrechtmatig. Hierdoor was ook de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig opgelegd.
De voorzieningenrechter besloot verzoeker te behandelen alsof de toegang niet was geweigerd en oordeelde dat het administratief beroep een redelijke kans van slagen heeft. De vrijheidsontnemende maatregel werd met ingang van 2 mei 2006 opgeheven. Tevens werd een schadevergoeding van €1170 toegekend voor het onrechtmatig verblijf in het Grenshospitium.
De Staat der Nederlanden werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage op 2 mei 2006.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de mondelinge toegangsweigering onrechtmatig is, beveelt behandeling als ware toegang niet geweigerd en heft de vrijheidsontnemende maatregel op.