ECLI:NL:RBSGR:2006:AX6165
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning medische behandeling en termijnstelling nieuw besluit
Verzoekster, van Ugandese nationaliteit, diende op 28 augustus 2003 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om medische behandeling te ondergaan. Deze aanvraag werd op 2 oktober 2003 afgewezen door verweerder, die ook het bezwaar van verzoekster op 1 februari 2006 ongegrond verklaarde. Verzoekster stelde daarop beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om in Nederland te mogen blijven tijdens de procedure.
Verweerder trok het bestreden besluit op 12 mei 2006 in, waarna de rechtbank het beroep mede richtte tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De voorzieningenrechter besloot op grond van artikel 8:86 Awb Pro onmiddellijk in de hoofdzaak uitspraak te doen, omdat nader onderzoek niet nodig was.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond omdat de beslistermijn was verstreken op het moment van intrekking. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat in de hoofdzaak werd beslist. Wel stelde de voorzieningenrechter een termijn van zes maanden voor het nemen van een nieuw besluit en trof ambtshalve een voorlopige voorziening die uitzetting van verzoekster verbiedt totdat op het bezwaar is beslist.
Daarnaast werden de kosten van het verzoek en het beroep toegewezen aan verzoekster en werd de Staat der Nederlanden aangewezen als de partij die deze kosten moet vergoeden. Het betaalde griffierecht werd eveneens aan verzoekster vergoed. De uitspraak werd op 30 mei 2006 gedaan door de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, een termijn van zes maanden gesteld voor een nieuw besluit en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.