ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0264
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling legale arbeid tijdens bezwaar- en beroepsprocedure in vreemdelingenrecht
Eiser, van Turkse nationaliteit, had een reguliere verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn echtgenote en verzocht om verlenging. Na afwijzing van zijn aanvraag en het bezwaar daartegen, stelde hij beroep in. Hij stelde dat de arbeid die hij verrichtte tijdens de bezwaar- en beroepsfase als legale arbeid moest worden beschouwd volgens het Besluit 1/80 van de Associatieraad.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met name de zaken Sevince en Birden, waarin werd vastgesteld dat arbeid verricht tijdens lopende beroepsprocedures niet als legale arbeid kan worden aangemerkt zolang het recht op verblijf niet definitief is vastgesteld. De rechtbank concludeerde dat de situatie van eiser hiermee overeenkomt en dat hij geen aanspraak kan maken op verlenging of wijziging van zijn verblijfsvergunning.
Verder oordeelde de rechtbank dat ook arbeid verricht tijdens de bezwaarprocedure niet als legale arbeid kan worden aangemerkt, ondanks de schorsende werking van het bezwaar. Dit omdat de situatie van de vreemdeling op de arbeidsmarkt tijdens de bezwaarprocedure niet stabiel maar voorlopig is.
Ten slotte stelde de rechtbank vast dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van het Associatiebesluit voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning op grond van legale arbeid, omdat hij niet voldoende relevante arbeidstijd had opgebouwd vanaf de vereiste datum. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.