ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0277
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van beëindigde relatie en onvoldoende legale arbeid onder Besluit 1/80
Eiser had een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn echtgenote, geldig tot 8 mei 2002. Uit onderzoek bleek dat de relatie feitelijk beëindigd was vanaf 1 maart 2002, waardoor eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden voor de vergunning. Verweerder verleende een nieuwe vergunning vanaf 30 juli 2004 nadat eiser aantoonde weer aan de voorwaarden te voldoen.
Eiser stelde dat hij recht had op een verblijfsvergunning op grond van het Besluit 1/80 vanwege legale arbeid, maar de rechtbank oordeelde dat hij op de peildatum van 25 juli 2002 niet aan de vereiste periode van een jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever voldeed. Daarnaast kon de arbeid die hij na die datum verrichtte niet als legale arbeid worden aangemerkt omdat hij toen geen onomstreden verblijfsrecht had.
De rechtbank volgde de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat het verblijfsrecht en het recht op arbeid rechtstreeks voortvloeien uit het Besluit 1/80 en onafhankelijk zijn van de nationale verblijfsvergunning. De peildatum voor legale arbeid is de datum waarop het verblijfsrecht niet meer onomstreden is, niet de datum van beëindiging van de relatie.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.