ECLI:NL:RBSGR:2006:AY3553
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning voortgezet verblijf wegens onvoldoende klemmende humanitaire redenen
Eiseres en haar zoon, beiden van Turkse nationaliteit, verzochten verlenging en wijziging van hun verblijfsvergunningen. Eiseres stelde dat zij seksueel geweld binnen het huwelijk had ondervonden en daarmee in aanmerking kwam voor voortgezet verblijf op grond van artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit 2000. Verweerder wees de aanvragen af op basis van het beleid dat sinds 17 oktober 2003 geldt, waarbij strenge bewijseisen gelden, waaronder een verklaring van een vertrouwensarts.
De rechtbank overwoog dat eiseres weliswaar het seksueel geweld had aangetoond onder het oude beleid, maar niet voldeed aan de aanvullende criteria van klemmende humanitaire redenen. Onder het nieuwe beleid voldeed zij niet aan de vereiste bewijslast, omdat zij geen verklaring van een vertrouwensarts had overgelegd. De rechtbank verwierp ook haar beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid omdat zij onvoldoende alternatieve bewijsmiddelen aanvoerde.
Ten aanzien van eiser, de zoon, oordeelde de rechtbank dat hij niet voldeed aan de vereisten van het Associatiebesluit 1/80, omdat hij niet een jaar legale arbeid had verricht en de aanvraag niet tijdig was ingediend. Ook werd de hardheidsclausule niet toegepast. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat geen geldige verblijfsvergunning bestond en er geen positieve verplichting van verweerder was om het gezinsleven in Nederland mogelijk te maken.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees de verzoeken om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvragen voor verlenging en wijziging van verblijfsvergunningen.