ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5156
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wegens opiumdelicten en toepassing Besluit 1/80
Eiser, met Turkse nationaliteit, kreeg zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en werd ongewenst verklaard vanwege een onherroepelijke veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf voor opiumdelicten. Hij voerde aan dat hem verblijf toekwam op grond van artikel 7 van Pro Besluit 1/80, omdat hij zich bij zijn vader had gevoegd die een legale Turkse werknemer zou zijn geweest.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn vader op het moment van binnenkomst tot de legale arbeidsmarkt behoorde zoals bedoeld in Besluit 1/80. De intrekking van de verblijfsvergunning en de ongewenstverklaring waren gegrond gezien de strafrechtelijke veroordeling en de duur van het rechtmatig verblijf. De rechtbank vond dat de belangenafweging tussen het gezinsleven en de bescherming van de openbare orde en veiligheid in het voordeel van de overheid uitviel.
Eiser stelde dat de intrekking een ongerechtvaardigde inmenging in zijn gezinsleven was en dat het openbare ordecriterium ten onrechte niet was toegepast op grond van EG-recht. Deze argumenten werden verworpen. De rechtbank bevestigde dat het beroep ongegrond was en dat eiser terecht niet onder het beleid voor EU/EER-onderdanen viel. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning en de ongewenstverklaring van eiser.