ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6400
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen rechtsmacht Nederlandse rechter bij verzoek tot teruggeleiding minderjarige uit India
De man verzocht de rechtbank om zijn minderjarige kind terug te leiden vanuit India naar Nederland en om de vrouw te veroordelen tot betaling van de kosten van de ontvoering en teruggeleiding. De vrouw betwistte de rechtsmacht van de Nederlandse rechter omdat de minderjarige sinds augustus 2005 feitelijk in India woont en daar geworteld is. De rechtbank stelde vast dat het Haags kinderontvoeringsverdrag 1980 en het Verdrag van Luxemburg 1980 niet van toepassing zijn omdat India geen verdragsland is.
De rechtbank beoordeelde vervolgens of op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 5 Rv Pro) rechtsmacht kon worden aangenomen. Dit artikel geeft rechtsmacht indien het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De rechtbank concludeerde dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige sinds augustus 2005 in India is, waar het kind rust, stabiliteit en sociale binding heeft opgebouwd.
De rechtbank verwierp het argument van de man dat de ongeoorloofde overbrenging van het kind niet tot wijziging van de gewone verblijfplaats mag leiden en dat de Nederlandse rechter daarom rechtsmacht moet hebben. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro (recht op gezinsleven) bood geen grond voor rechtsmacht. Ten slotte wees de rechtbank het verzoek van de man af en bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en wijst het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige uit India naar Nederland af.