ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7073
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Terugbrenging minderjarige kinderen na ongeoorloofde overbrenging naar Nederland
De vader en moeder, beiden Nederlands, zijn in 1992 gehuwd en zijn in 2002 met hun drie minderjarige kinderen naar Denemarken verhuisd, waar zij een nieuw leven begonnen en het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenden. In oktober 2005 heeft de moeder zonder toestemming van de vader de kinderen naar Nederland gebracht en daar een echtscheidingsprocedure gestart.
De Centrale Autoriteit verzocht de rechtbank om terugbrenging van de kinderen naar Denemarken, omdat de overbrenging ongeoorloofd was volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De moeder voerde een uitzondering aan op grond van artikel 13 lid 1 sub Pro b, vanwege vermeend alcoholmisbruik van de vader en de onleefbare situatie, maar kon dit onvoldoende aantonen.
De rechtbank oordeelde dat de moeder in staat is een veilige woonomgeving in Denemarken te creëren en dat de kinderen niet voldoende verzet toonden tegen terugkeer. De uitzondering op terugbrenging werd niet aangenomen. Daarom werd de moeder gelast de kinderen uiterlijk 9 juli 2006 terug te brengen, na afloop van het schooljaar, om hun belangen te beschermen.
Uitkomst: De moeder is gelast de minderjarige kinderen uiterlijk 9 juli 2006 terug te brengen naar Denemarken.