ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7603
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- D. Allewijn
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering inzake afgifte rechtshulpverzoek wegens onvoldoende bewijs opzettelijk uitlekken
Eiser, verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, vordert van de Staat een afschrift van een rechtshulpverzoek dat vertrouwelijk was bedoeld maar uitlekte naar de media. Hij stelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door het rechtshulpverzoek opzettelijk te laten uitlekken en verlangt inzage om reputatieschade te beperken.
De Staat betwist het opzettelijk uitlekken en verklaart dat het document per ongeluk naar een verkeerd e-mailadres van een vertaalbureau is gestuurd. De voorzieningenrechter oordeelt dat er onvoldoende bewijs is voor opzet van de Staat en dat de stellingen van eiser onvoldoende aannemelijk zijn, onder meer vanwege tegenstrijdigheden en het ontbreken van bewijs dat de Staat bewust heeft gehandeld.
Gezien het kort geding karakter is er geen ruimte voor uitgebreid bewijsonderzoek. De voorzieningenrechter concludeert dat de vordering moet worden afgewezen en veroordeelt eiser in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs voor een onrechtmatige daad en de zorgvuldigheid van de Staat bij het omgaan met vertrouwelijke informatie.
Uitkomst: De vordering tot afgifte van het rechtshulpverzoek wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk uitlekken door de Staat.