ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7788
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens verstoorde arbeidsverhouding bij Rijkswaterstaat
Eiser was sinds 1990 werkzaam bij de Directie Zuid-Holland van Rijkswaterstaat en was vanaf oktober 2000 tot januari 2002 volledig arbeidsongeschikt. Na een periode van psychologische begeleiding keerde eiser niet volgens afspraak terug op het werk en vertoonde een agressieve en intimiderende houding tijdens reïntegratiegesprekken. Verweerder stelde dat de arbeidsverhouding ernstig verstoord was door eisers gedrag, waaronder wantrouwen, het niet nakomen van afspraken en het veroorzaken van angst bij collega’s.
Verweerder verleende op grond van artikel 99, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) eervol ontslag wegens deze verstoorde arbeidsverhouding. Eiser voerde aan dat het ontslag feitelijk onterecht was, dat zijn houding niet in beoordelingsverslagen was vastgelegd en dat herplaatsing een minder ingrijpende maatregel was geweest.
De rechtbank oordeelde dat de verstoorde arbeidsverhouding voldoende was onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden, waaronder de agressieve houding van eiser en het ontbreken van vertrouwen in verbetering. Het ontbreken van herplaatsingsinspanningen deed hieraan niet af. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht en redelijkerwijs van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt om het ontslag te verlenen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het ontslag wegens verstoorde arbeidsverhouding wordt ongegrond verklaard en het ontslag bevestigd.