ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7934
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Ollermann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling AOW-premieplicht en heffingskorting bij pensioenontvangst vanaf 65 jaar
Eiseres bereikte in september 2004 de leeftijd van 65 jaar en ontving vanaf dat moment een AOW-pensioen en een aanvullend pensioen. Zij stelde dat zij over 2004 geen AOW-premie verschuldigd was en dat dit voordeel zou moeten leiden tot een verhoging van de algemene heffingskorting. Verweerder handhaafde echter de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, waarbij de AOW-premie naar rato werd berekend.
De rechtbank overwoog dat artikel 10, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) duidelijk stelt dat vanaf de maand waarin de verzekerde 65 wordt geen AOW-premie verschuldigd is. Dit uitgangspunt is zonder uitzonderingen geformuleerd en geldt ook als de belanghebbende in dat jaar geen andere belastbare inkomsten heeft dan het pensioen na het bereiken van 65 jaar.
De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 9 september 2005, waarin een vergelijkbare situatie werd beoordeeld en de tijdsevenredige premieheffing werd bevestigd. Tevens wees de rechtbank erop dat het vermeende voordeel van het niet hoeven betalen van AOW-premie door een correctie in de gecombineerde heffingskorting volledig wordt gecompenseerd, waardoor eiseres geen financieel voordeel behaalt.
Ten aanzien van de ouderenkorting stelde de rechtbank dat eiseres hierop geen aanspraak kon maken, omdat de gecombineerde heffingskorting volgens de Wet IB 2001 is gemaximeerd en de ouderenkorting niet behoort tot de heffingskortingen die de gecombineerde korting kunnen verhogen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard; zij blijft AOW-premie verschuldigd over 2004 en heeft geen recht op een extra heffingskorting.