ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9296

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/42628
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 82 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting minderjarige asielzoekster uit Guinee

Verzoekster, een minderjarige vrouw uit Guinee, diende een asielaanvraag in Nederland in, nadat zij meldde gedurende zes weken gevangen te zijn gehouden en dagelijks verkracht door een militaire bewaker. De Immigratie- en Naturalisatiedienst wees haar aanvraag in de aanmeldcentrumprocedure af. Verzoekster stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.

De voorzieningenrechter overwoog dat het belang van verzoekster om in Nederland te blijven totdat haar beroep is behandeld, zwaarder weegt dan het belang van de overheid bij uitzetting. Dit mede vanwege haar minderjarigheid, verblijf in een opvangcentrum en het lopende medisch onderzoek door Amnesty International naar haar fysieke en psychische gesteldheid, dat mogelijk de geloofwaardigheid van haar asielverhaal ondersteunt.

De rechter achtte niet uitgesloten dat de vermeende verkrachtingen haar verklaringsmogelijkheden beïnvloeden, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening werd toegewezen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de uitzetting van de minderjarige asielzoekster totdat op haar beroep is beslist en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummer: AWB 06 / 42628
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 september 2006
in de zaak van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1989, van Guinese nationaliteit,
verzoekster,
gemachtigde: mr. J. Broersen, rechtshulpverlener bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Haarlem,
tegen:
de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
verweerder,
gemachtigde: mr. M.Y. Jacobs, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te
’s-Gravenhage.
1. Procesverloop
1.1 Verzoekster heeft op 27 augustus 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 1 september 2006 afgewezen. Verzoekster heeft tegen het besluit op 2 september 2006 beroep ingesteld.
1.2 Verzoekster heeft op 2 september 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12 september 2006. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Ingevolge artikel 82, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt, voor zover hier van belang, de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning asiel opgeschort totdat op het beroep is beslist. Ingevolge artikel 82, tweede lid, aanhef en onder a, Vw is artikel 82, eerste lid, Vw onder meer niet van toepassing indien het besluit inhoudt de afwijzing van de aanvraag binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal uren (de zogenaamde aanmeldcentrumprocedure).
2.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen. Voorts heeft verweerder verzocht om met toepassing van artikel 8:86 Awb Pro het beroep ongegrond te verklaren.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
2.4 Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onder meer aangevoerd dat zij gedurende een gevangenschap van zes weken in de Sûreté gevangenis te Conakry, Guinee, dagelijks is verkracht door een militair en dat zij na haar gevangenschap dagelijks is verkracht door een man genaamd [naam man]. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van verzoekster positieve overtuigingskracht mist. Nadat verweerder de aanvraag van verzoekster had afgewezen, heeft haar gemachtigde de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International verzocht om onderzoek te doen naar de fysieke en psychische gesteldheid van verzoekster, waaruit zou kunnen blijken dat zij de gestelde verkrachtingen heeft ondergaan. Bij brief van 6 september 2006 heeft Amnesty International de gemachtigde van verzoekster bericht dat zij binnen twee á drie weken zullen berichten over de beoordeling.
2.5 Ter beoordeling staat thans de vraag of er, bij afweging van de wederzijdse belangen, aanleiding bestaat voor toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voornoemde vraag positief dient te worden beantwoord.
2.6 Gelet op het feit dat verzoekster minderjarig is, dat zij thans in een opvangcentrum verblijft en het betreffende medisch onderzoek reeds in werking is gezet en naar verwachting binnen enkele weken de uitslag daarvan bekend zal zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoekster om de beslissing van de rechtbank op het door haar ingestelde beroep in Nederland te kunnen afwachten groter is dan het belang van verweerder bij uitzetting van verzoekster voordat op het beroep is beslist. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat de inhoud van de medische verklaring niet kan afdoen aan het feit dat het asielrelaas hiaten vertoont, geldt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat niet geheel valt uit te sluiten dat de gestelde verkrachtingen haar mogelijkheden om te verklaren over hetgeen zij heeft meegemaakt, hebben beïnvloed. De voorzieningenrechter zal derhalve een voorlopige voorziening treffen.
2.7 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding artikel 8:86, eerste lid, Awb toe te passen.
2.8 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,-- (1punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
3. BESLISSING
De voorzieningenrechter:
3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen zolang nog niet op het beroep is beslist;
3.2 veroordeelt verweerder in de kosten ad € 644,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan verzoekster te voldoen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, voorzieningenrechter, en op 19 september 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Geerling, griffier.
Afschrift verzonden op:
Coll:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.