ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ0035

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/36396
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:64 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak gezinshereniging en verblijf

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en tegelijkertijd een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend om uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank heeft het hoofdberoep van verzoekster ongegrond verklaard, waardoor het belang bij de voorlopige voorziening is komen te vervallen. De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Tijdens de procedure heeft verzoekster zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en is ook de moeder van verzoekster ter zitting verschenen. Na schorsing van de behandeling en het uitwisselen van nadere standpunten is besloten geen nadere zitting te houden.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter F.H. Machiels en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2006. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang van verzoekster is komen te vervallen.

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE
ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Vreemdelingenkamer
Uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Proc.nr. : AWB 05/36396
Inzake : [verzoekster], verzoekster,
gemachtigde mr. W.M.J. Saes, advocaat te Roermond,
tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s Gravenhage, verweerder.
I. PROCESVERLOOP
Op 10 augustus 2005 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 augustus 2005. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoekster van 3 juni 1998 tegen het besluit van 8 mei 1998 ongegrond verklaard. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer AWB 05/36395.
Voorts heeft verzoekster op 10 augustus 2005 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening uitzetting te verbieden tot op het beroep is beslist.
Op 9 september 2005 heeft verzoekster de gronden van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kenbaar gemaakt.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. De ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekster gezonden.
De openbare behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Zoals vooraf bij schrijven van 1 mei 2006 is aangekondigd, is verzoekster niet in persoon verschenen, maar heeft zij zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. Saes. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. M.A.M. Janssen. Tevens is ter zitting de moeder van verzoekster, mw. [naam moeder], verschenen.
Voormeld beroep is eveneens op 2 juni 2006 op een zitting behandeld.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van het beroep is de behandeling van dat beroep op verzoek van de gemachtigde van verzoekster met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een nader standpunt kenbaar te maken. Om die reden is ook de behandeling van het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening geschorst, met toepassing van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb in samenhang met voormeld artikel 8:64, eerste lid, van de Awb. De gemachtigde van verzoekster heeft van de geboden gelegenheid tot het innemen van een nader standpunt gebruik gemaakt bij fax van 15 juni 2006. Verweerders reactie daarop is op 27 juni 2006 per fax ingezonden.
Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb juncto artikel 8:83, eerste lid, van de Awb om een nadere zitting ter zake van het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening achterwege te laten, waarna de voorzieningenrechter op 14 juli 2006 het onderzoek heeft gesloten en de uitspraak nader heeft bepaald op heden.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het door verzoekster ingestelde beroep als vermeld in rubriek I ongegrond verklaard. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006.
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Afschrift verzonden op: 11 oktober 2006.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.