ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ1551
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster had vanaf 2 maart 1998 bijstand ontvangen als alleenstaande ouder. Na vermoedens van een gezamenlijke huishouding met haar partner, meneer A, voerde de Dienst Sociale Zaken een buitenonderzoek uit, inclusief huisbezoek en verklaringen van beide partijen.
Uit het onderzoek bleek dat meneer A sinds enkele maanden vrijwel dagelijks bij verzoekster verbleef, een sleutel van haar woning had en zijn bloemenopslag in haar tuin had. Tijdens het huisbezoek werd meneer A in de woning aangetroffen en werd vastgesteld dat hij een slaapkamer gebruikte.
Verzoekster stelde dat meneer A geen hoofdverblijf bij haar had en alleen verbleef vanwege hun gehandicapte zoon, maar de voorzieningenrechter achtte dit niet relevant voor de beoordeling van het hoofdverblijf. Gezien de feiten werd voorshands geoordeeld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Daarom werd de bijstand ten onrechte toegekend volgens de norm van een alleenstaande ouder, en het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de bijstand werd afgewezen. Verweerder gaf aan dat een fout in het besluit kan worden hersteld in bezwaar, waardoor ook geen aanleiding was voor een voorlopige voorziening.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering wordt afgewezen omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding.