AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Aanmerking 14-1-brief als aanvraag en erkenning Stichting VluchtelingenWerk als gemachtigde
Eiser heeft op 10 juni 2003 via Stichting VluchtelingenWerk een verzoek ingediend bij verweerder om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid voor een verblijfsvergunning. Verweerder stelde dat deze brief geen aanvraag was en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank onderzoekt of de brief als aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb moet worden aangemerkt.
De rechtbank bevestigt dat onder bepaalde voorwaarden een zogenaamde 14-1-brief als aanvraag geldt, wat hier het geval is vanwege de verwijzing naar een toezegging en de toelichting op schrijnende omstandigheden. Tevens oordeelt de rechtbank dat eiser als belanghebbende moet worden gezien en dat Stichting VluchtelingenWerk als gemachtigde van eiser moet worden erkend, mede vanwege de vermelding dat de cliënt akkoord is met de inhoud.
De rechtbank benadrukt het bestuursrechtelijke beginsel van vrije procesvertegenwoordiging en de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om te onderzoeken of uit de omstandigheden een machtiging blijkt. Omdat verweerder dit niet heeft gedaan, moet de brief worden aangemerkt als aanvraag en het besluit van 20 november 2003 als besluit. Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en wordt de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aangewezen voor vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.
Uitspraak
Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
artikel 8:70 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 71 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 04/38567
V-nr: 200.608.4969
inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1962, van Irakese nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. R.J. Hamerslag, advocaat te Amsterdam,
tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,
gemachtigde: mr. C.E. McLean, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. PROCESVERLOOP
1. Op 10 juni 2003 heeft E.M. Lakeman, coördinator van de Stichting VluchtelingenWerk Noordwijk, voor eiser een verzoek aan verweerder gezonden met de vraag gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid om alsnog aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Bij dit verzoek is een bijlage gevoegd met een uiteenzetting van eisers schrijnende omstandigheden. Bij brief van 20 november 2003 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen ruimte is eisers zaak opnieuw te beoordelen omdat de beslissing in rechte vaststaat. Bij brief van 17 december 2003 heeft eiser uiteengezet dat de brief van 20 november 2003 wordt aangemerkt als (weigering tot het nemen van) een besluit, althans het buiten behandeling stellen van de aanvraag. Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 29 juli 2004 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek van 10 juni 2003 niet aangemerkt werd als aanvraag.
2. Bij beroepschrift van 26 augustus 2004 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 29 september 2004. Op 3 november 2004 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 19 januari 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2006. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. N.C. Blomjous, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of de brief van 10 juni 2003 is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
2. Artikel 1:3, derde lid, van de Awb bepaalt dat onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
3. Thans staat niet langer ter discussie dat onder bepaalde voorwaarden een zogenaamde 14-1-brief als aanvraag in de zin van de Awb moet worden aangemerkt. Zo ook in dit geval waarin direct wordt gerefereerd aan de toezegging van voormalig minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Nawijn en wordt verzocht gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Het verzoek gaat gepaard met een uitgebreide toelichting op de schrijnendheid van de situatie van eiser.
4. In het bestreden besluit is niet onderkend dat de brief van 10 juni 2003 een aanvraag betreft als voorgaand bedoeld. Het besluit bevat nog een motivering zoals die gebruikelijk was onder de oude jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) op dit onderwerp. Reeds hierom kan het bestreden besluit niet in stand blijven.
5. In het verweerderschrift heeft verweerder, vermoedelijk in het licht van de jurisprudentiële ontwikkelingen, zijn motivering van het besluit verlaten en is onder het standpunt dat voornoemde brief niet als aanvraag kan worden aangemerkt een nieuwe motivering gelegd. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat VluchtelingenWerk niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en verwijst hierbij naar een uitspraak van de AbRS van 22 november 2005 met nummer 20050520/1. In het licht van de vraag of de rechtsgevolgen van het besluit in stand dienen te blijven, zal de rechtbank onderstaand dit standpunt van verweerder bespreken.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 vanPro de Awb moet worden aangemerkt. De vraag die thans door de rechtbank beantwoord moet worden is of verweerder in de brief van 10 juni 2003 aanleiding had moeten zien Stichting VluchtelingenWerk Noordwijk als gemachtigde van eiser aan te merken. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
7. Het eerste lid van artikel 2:1 vanPro de Awb luidt: “Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.” Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
8. Artikel 70 vanPro de Vw 2000 is niet op de aanvraagfase van toepassing.
9. De brief van 10 juni 2003 is getekend door mw. E.M. Lakeman, coördinator, namens de Stichting Vluchtelingenwerk Noordwijk. Voorts is in de brief vermeld: “De cliënt is op de hoogte van deze brief en gaat akkoord met de inhoud”.
10. De achtergrond van het bestuursrechtelijke beginsel van vrije procesvertegenwoordiging is gelegen in de wens van de wetgever om relatief eenvoudig op te kunnen komen tegen besluiten van de overheid die hiervoor vatbaar zijn. Dit betekent dat de overheid zich geconfronteerd ziet met niet-professionele opposanten. In dit licht heeft het bestuursorgaan een verantwoordelijkheid om ook in die gevallen waarin niet expliciet is gesteld dat als gemachtigde voor een rechtzoekende wordt opgetreden, te onderzoeken of uit de gebezigde bewoordingen en gezien in het licht van de aard en strekking van het schrijven de machtiging toch niet in voldoende mate blijkt.
11. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt binnen de gegeven context uit de zinsnede dat de inhoud van het verzoek is besproken en dat cliënt hiermee akkoord is gegaan afdoende dat het verzoek namens eiser is gedaan en dat de Stichting VluchtelingenWerk Noordwijk daarmee als gemachtigde voor eiser moet worden aangemerkt, waarbij verweerder ter verificatie van aard en omvang van de machtiging desgewenst gebruik had kunnen maken van de mogelijkheid die het tweede lid van artikel 2:1 vanPro de Awb een bestuursorgaan biedt. Nu dit niet is gedaan moet thans worden aangenomen dat voornoemde stichting als gemachtigde van eiser optrad.
12. De brief van 10 juni 2003 moet dan ook worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb; het schrijven van verweerder van 20 november 2003 is dan ook een besluit.
13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het bezwaarschrift tegen het besluit van 20 november 2003 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 1:3 vanPro de Awb. Verweerder zal binnen zes weken een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).
15. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 vanPro de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.
III. BESLISSING
De rechtbank
1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt het bestreden besluit;
3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;
5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 136,-- (zegge: honderd en zesendertig euro).
Gewezen door mr. J. Recourt, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.C. Tilman, griffier, en openbaar gemaakt op: 20 juni 2006
De griffier De voorzitter
Afschrift verzonden op:
Conc: JR en AV
Coll:
Bp: -
D: B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 vanPro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 vanPro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.