ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2109
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende medewerking
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van burgemeester en wethouders van Den Haag om zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 augustus 2006 in te trekken vanwege onvoldoende medewerking aan arbeidsinschakeling. Verzoeker was opgeroepen voor een gesprek over een trajectplan maar is niet verschenen en heeft dit verzuim niet hersteld.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers aanspraken op een AAW/Wajong-uitkering niet relevant zijn zolang hij bijstand ontvangt en niet is ontheven van arbeidsverplichtingen. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat hij aanspraak maakt op een dergelijke uitkering of dat hij zijn verzuim heeft hersteld.
Op grond van artikel 54 van Pro de WWB kan het college de bijstand opschorten en intrekken bij onvoldoende medewerking. Verzoekers brief van 24 augustus 2006 volstaat niet om het verzuim te herstellen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit tot intrekking terecht is genomen en dat er geen aanleiding is voor een voorlopige voorziening.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.