ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2582

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
27 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/227 IB/PVV
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.92 Wet IB 2001Art. 4.10 Wet IB 2001Art. 4.11 Wet IB 2001Afdeling 8.2.6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Blote eigendom bedrijfsterrein kwalificeert als werkzaamheid volgens artikel 3.92 Wet IB 2001

Eiser en zijn broer zijn gezamenlijk eigenaar van de blote eigendom van een bedrijfsterrein waarop een economisch genotsrecht rust ten behoeve van een besloten vennootschap waarin eiser een middellijk aanmerkelijk belang heeft. Eiser stelde bij zijn aangifte dat zijn aandeel in de blote eigendom en de daarbij behorende schuld tot het inkomen uit sparen en beleggen behoort, terwijl verweerder dit als resultaat uit werkzaamheid kwalificeerde en het belastbare inkomen uit werk en woning verhoogde.

De rechtbank beoordeelde of het houden van blote eigendom van het bedrijfsterrein een werkzaamheid vormt volgens artikel 3.92 Wet IB 2001. De rechtbank concludeerde dat het bedrijfsterrein daadwerkelijk ter beschikking werd gesteld aan de B.V. en dat eiser een aanmerkelijk belang heeft, waardoor aan de voorwaarden van artikel 3.92 is voldaan.

Eiser voerde aan dat het enkel hebben van blote eigendom geen werkzaamheid is omdat ter beschikking stellen een actief handelen vereist, maar de rechtbank verwierp dit op basis van de wetsgeschiedenis en de Memorie van Toelichting. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

De rechtbank zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en sprak het vonnis uit op 27 september 2006.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de blote eigendom van het bedrijfsterrein een werkzaamheid vormt volgens artikel 3.92 Wet IB 2001.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/227 IB/PVV
Uitspraakdatum: 27 september 2006
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X], wonende te [Y], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst te [P], kantoor [Q], verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.993.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 november 2005 de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen bij brief van 27 december 2005, ontvangen bij de rechtbank op
28 december 2005, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna zij het onderzoek heeft gesloten.
2. Feiten
Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast:
2.1. Eiser en zijn broer zijn, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de blote eigendom van een bedrijfsterrein te [plaats A] (hierna: het bedrijfsterrein). Zij hebben deze eigendom verkregen van hun vader bij akte van levering van 20 december 1999 en onder bezwaar van het na te noemen genotsrecht.
2.2. Bij notariële akte van 1 augustus 1997 is op het bedrijfsterrein ten behoeve van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] Transport B.V. (hierna: de B.V.) een economisch genotsrecht gevestigd, inhoudende het recht om het bedrijfsterrein te houden en te gebruiken en daarvan de opbrengsten te genieten overeenkomstig het beoogde gebruik daarvan. Vervolgens is de bloot eigendom van het bedrijfsterrein - met inachtneming van het genotsrecht - geleverd aan belanghebbendes vader. Het genotsrecht is afhankelijk van het leven van eisers moeder. Eiser hield in het onderhavige jaar een middellijk aanmerkelijk belang (50 percent) in de B.V.
2.3. De waarde van het aan eiser toebehorende deel van de blote eigendom van het bedrijfsterrein bedroeg € 130.638 per 1 januari 2001 en € 137.682 per 1 januari 2002.
Eiser heeft de blote eigendom gefinancierd met vreemd vermogen. De betreffende schuld bedroeg € 117.373 per 1 januari 2001. De verschuldigde rente over 2001 ten bedrage van € 4.695 is bij de hoofdsom bijgeschreven, zodat de schuld ultimo 2001 € 122.068 bedroeg.
2.4. Bij het doen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 heeft eiser het standpunt ingenomen dat zijn aandeel in de blote eigendom en de daarbij behorende schuld tot de rendementsgrondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen moet worden gerekend. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder daarentegen het standpunt ingenomen dat ter zake van dat aandeel en die schuld een resultaat uit werkzaamheid tot het belastbare inkomen uit werk en woning moeten worden gerekend. Op die grond heeft hij het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd met € 2.349.
3. Geschil
3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de hiervoor onder 2.1 en 2.2 vermelde feiten een werkzaamheid in de zin van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) behelzen, welke vraag eiser ontkennend en verweerder bevestigend beantwoordt.
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn standpunt aangevoerd dat uit een grammaticale interpretatie van artikel 3.92, eerste lid, van de Wet volgt dat het enkel hebben van bloot eigendom geen werkzaamheid oplevert, omdat ter beschikking stellen immers een (actief) handelen van de belastingplichtige vergt. Voorts beroept eiser zich op de wetsgeschiedenis van artikel 3.92 van de Wet.
3.3. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.644. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Tussen partijen is niet in geschil dat - ongeacht de uitkomst van het beroep - het belastbare inkomen uit sparen en beleggen nihil bedraagt.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Ingevolge artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet wordt onder werkzaamheid mede verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van de artikelen 4.10 en 4.11.
4.2. De vaststaande feiten laten geen andere conclusie toe dan dat het bedrijfsterrein in het onderhavige jaar ter beschikking werd gesteld van de B.V. en dat eiser een aanmerkelijk belang in de B.V. heeft in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet, niet zijnde een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.10 of 4.11 van de Wet. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 3.92 van de Wet.
4.3. De tekst en de geschiedenis van artikel 3.92 van de Wet bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de juistheid van het standpunt van eiser dat het enkel hebben van bloot eigendom geen werkzaamheid oplevert, omdat ter beschikking stellen immers een (actief) handelen van de belastingplichtige vergt. De rechtbank leidt dit ook niet af uit de door eiser gememoreerde gedeelten uit de vorenbedoelde wetsgeschiedenis. De door verweerder in het verweerschrift onder 5.7 aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp 27 466 (Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001) wijst op het tegendeel.
4.4. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
5. Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 september 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.P.F. Slijpen, mr. S.C. Stuldreher en mr. T. van Rij in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.