ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2691
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.G. Kok
- Rechtspraak.nl
Verzoek biologische vader tot vaststelling omgangsregeling afgewezen wegens ontbreken nauwe persoonlijke betrekking
De man, biologische vader van een minderjarige geboren in 2004, verzocht de rechtbank om een omgangsregeling met het kind vast te stellen. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft, voerde verweer en betwistte het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind.
Partijen hadden een korte affectieve relatie van ongeveer zes maanden, waarin zij enkele weken samenwoonden. De relatie werd verbroken toen de vrouw drie maanden zwanger was, zonder pogingen tot herstel. De man was niet aanwezig bij de geboorte en heeft het kind slechts twee keer kortstondig gezien na de geboorte.
De rechtbank oordeelde dat de man onvoldoende bijkomende omstandigheden had gesteld die aantonen dat er een band bestaat die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De aard van de relatie en het minimale contact na de geboorte maken dat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Daarom werd de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het treffen van een omgangsregeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het treffen van een omgangsregeling wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking met het kind.