ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ3479
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- J.M. Janse van Mantgem
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om opheffing ongewenstverklaring binnen onredelijke termijn
Verzoeker, van Iraakse nationaliteit, werd in december 2001 ongewenst verklaard en dit besluit bleef gehandhaafd na bezwaar in oktober 2002. Pas in september 2006 verzocht hij om opheffing van deze ongewenstverklaring en stelde daarbij een termijn van één week voor de beslissing.
De rechtbank overwoog dat er geen wettelijke termijn bestaat voor de beslissing op een dergelijk verzoek, waardoor de redelijke termijn van acht weken uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt. De rechtbank vond het onredelijk om een termijn van één week te hanteren, mede omdat verzoeker het verzoek pas in een laat stadium indiende en reeds lange tijd in vreemdelingenbewaring verbleef.
Het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen werd ingediend voordat de redelijke termijn van acht weken was verstreken en werd daarom als prematuur en niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, waarbij werd overwogen dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een kortere termijn rechtvaardigen.
De uitspraak benadrukt dat het feit dat verzoeker in bewaring is geen reden is om de redelijke termijn te verkorten. Tevens werd opgemerkt dat uitzetting naar Irak niet onomkeerbaar is, aangezien verzoeker bij opheffing van de ongewenstverklaring opnieuw toegelaten kan worden tot Nederland.
De rechtbank wees het verzoek af en veroordeelde geen partij in proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot opheffing van de ongewenstverklaring binnen één week is afgewezen en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.