ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4539
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens ontbreken van nieuwe feiten bij homoseksualiteit
Verzoeker, een Iraakse nationaliteit dragende persoon, diende meerdere asielaanvragen in Nederland in sinds 1998, welke allen werden afgewezen. In de huidige zaak betoogde verzoeker dat zijn homoseksuele geaardheid en de bekendwording daarvan bij zijn familie een nieuw feit (novum) vormden dat recht zou geven op heroverweging van zijn asielaanvraag.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker reeds bij eerdere aanvragen op de hoogte was van zijn seksuele geaardheid en dat dit niet als nieuw feit kon worden aangemerkt. De door verzoeker meegebrachte getuige bevestigde dat de homoseksualiteit reeds in Irak bekend was en mede aanleiding was voor vertrek. Verzoekers stelling dat zijn familie pas later op de hoogte was, werd niet geloofd.
Verder werd overwogen dat verzoeker alle relevante gegevens bij eerdere aanvragen had moeten verstrekken, conform artikel 31 Vreemdelingenwet Pro 2000 en artikel 4:6 Algemene Pro wet bestuursrecht. Het beroep op schending van artikel 3 EVRM Pro faalde omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die de toepassing van nationale procedureregels konden doorbreken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.