6. Het standpunt van SRK luidt als volgt.
Ook al bevat de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] geen eenzijdig wijzigingsbeding, SRK is in bepaalde gevallen wel gerechtigd die arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen. Een dergelijke wijziging zal moeten voldoen aan de eisen zoals door de Hoge Raad geformuleerd in het zogenaamde Taxi Hofmanarrest (HR 26 juni 1998, JAR 1998/199). Op grond van dat arrest kan onder omstandigheden van de werknemer de bereidheid tot aanpassing van de arbeidsvoorwaarden worden gevraagd. De werknemer zal op redelijke voorstellen van de werkgever moeten ingaan en mag dergelijke voorstellen slechts dan afwijzen wanneer de aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Het onderscheid tussen particuliere en ziekenfondsverzekeringen is per 1 januari 2006 komen te vervallen. Dat maakt dat de regelingen die dat onderscheid nog wél maken per definitie niet onverkort kunnen worden gehandhaafd. De bepaling in arbeidsovereenkomst van [gedaagde] over de vergoeding van ziektekostenpremies, wordt aangevuld door de CAO en de Personeelsgids. Die beide regelingen maken onderscheid tussen ziekenfondsverzekerden en niet-ziekenfondsverzekerden door te bepalen dat de werkgever slechts een deel van de premie van de particuliere ziektekostenverzekering vergoedt. Ongewijzigde voortzetting daarvan is sinds 1 januari 2006 dan ook niet meer mogelijk.
De CAO bevat een regeling die per 1 januari 2006 de regeling zoals die voor de invoering van de Zvw gold, heeft vervangen. Basis van die regeling is dat invoering van de Zvw per werkgever kostenneutraal zal zijn. De Personeelsgids hield geen rekening met de invoering van de Zvw, zodat SRK begin 2006 een vervangende regeling heeft opgesteld.
Bij het formuleren van de nieuwe regeling heeft SRK - net zoals de CAO voorschrijft - haar totale kosten en niet de inkomens van haar werknemers als uitgangspunt genomen. De stelling dat de wijzigingen van het zorgstelsel grotendeels voor rekening van de werkgever zouden moeten komen, is immers niet in overeenstemming met de zogenaamde salderingsregeling en de parlementaire geschiedenis van de Zvw en de Invoerings- en aanpassingswet Zvw (verder: I&A-wet Zvw) waarin onder meer staat:
"Voorkomen moet worden dat de werkgevers te maken krijgen met dubbele lasten doordat zij naast de wettelijke werkgeversbijdrage ook nog in het kader van een arbeidsovereenkomst verplichtingen hebben op het vlak van bijdragen in de ziektekostenverzekering van hun werknemers,"
(Bijl. Hand. TK 2003-2004,29763, nr. 3, pag. 48; zie ook: Bijl. Hand. EK 2004-2005,30 124c, p. 53).
Ondanks dat met de door SRK in 2006 te betalen werkgeversbijdrage een hoger bedrag gemoeid is dan het bedrag dat zij in 2005 aan vergoedingen van de particuliere ziektekostenverzekeringspremie betaalde, is in de nieuwe regeling opgenomen dat aan iedere werknemer (naast de wettelijke werkgeversbijdrage) een zogenaamde gewenningsbijdrage van € 10,-- per maand wordt betaald. Ook hier heeft SRK derhalve de CAO gevolgd. Er is gekozen voor een vaste gewenningsbijdrage die voor ieder werknemer gelijk is. De stelselwijziging heeft immers voor iedere werknemer andere gevolgen, juist omdat sprake is van een geheel nieuw stelsel. Niet gezegd kan worden dat de werknemer die in 2005 aanspraak maakte op de grootste nominale bijdrage in de premie er door de invoering van de Zvw ook per definitie het meest op achteruitgaat. Een aparte berekening van de gevolgen per werknemer en een daaraan aangepaste gewenningsbijdrage, zou een aanmerkelijke administratieve last voor SRK met zich brengen. De keuze om aan iedere werknemer eenzelfde gewenningsbijdrage toe te kennen is derhalve begrijpelijk en redelijk (en bovendien in overeenstemming met het beginsel gelijk loon voor gelijke arbeid).
Overigens heeft SRK de nieuwe regeling - onverplicht - voorgelegd aan haar Ondernemingsraad, die zijn instemming daaraan heeft verleend.
Al met al heeft SRK niet alleen een zwaarwegend en gerechtvaardigd belang om de ziektekostenregeling te wijzigen, maar ook om de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] dusdanig te wijzigen door daarop de nieuwe ziektekostenregeling van toepassing te verklaren.
[gedaagde] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar HR 25 februari 2000, JAR 2000/85 (FNV/Frans Maas). In die zaak ging het om de vraag welke invloed de invoering van de Wet terugdringing ziekteverzuim - WTZ - had op reeds lopende arbeidsovereenkomsten met een zogenaamde suppletieregeling voor ziekteverzuim die neerkwam op een aanvulling tot 100% van het door de bedrijfsvereniging uitbetaalde ziekengeld van 70% van het laatstverdiende loon. (Door de wetswijziging werden werkgevers verplicht gedurende de eerste zes weken 70% van het loon door te betalen, terwijl dat voorheen door de bedrijfsvereniging werd betaald.) De Hoge Raad overwoog dat de Rechtbank had moeten onderzoeken of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om de suppletieregeling ongewijzigd in stand te laten.
Anders dan [gedaagde] impliciet stelt, kan uit deze uitspraak niet worden opgemaakt dat SRK de oude regeling in stand moet houden. Ten eerste omdat "slechts" is besloten welke maatstaf er bij de beoordeling moet worden toegepast en ten tweede omdat een aanmerkelijk verschil bestaat tussen het onderhavige geschil en het geschil dat Frans Maas en FNV verdeeld hield daar waar het de aard van de wetswijziging betreft. De invoering van de WTZ vergrootte de loondoorbetalingsverplichting van werkgevers. De afschaffing van de suppletieregeling door Frans Maas had tot resultaat dat een aanzienlijk deel van deze aangescherpte werkgeversverplichting werd afgewenteld op de werknemers, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever was.
In het onderhavige geval is sprake van een andere situatie. De Zvw is niet gericht op een wijziging van verplichtingen van werkgevers, maar op een wijziging van het ziektekostenverzekeringsstelsel (die gedeeltelijk door werkgevers opgevangen moet worden). Het verschil tussen beide situatie blijkt ook uit het feit dat volgens de parlementaire geschiedenis en op grond van de salderingsregeling voorkomen moet worden dat werkgevers te maken krijgen met dubbele lasten. Het feit dat het inkomen van [gedaagde] er door de invoering van de Zvw op achteruit is gegaan, is - anders dan in geval van het Frans Maasarrest - geen gevolg van de afschaffing van de suppletieregeling, maar van de invoering van het nieuwe zorgverzekeringsstelsel. Deze inkomensachteruitgang behoeft naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet voor rekening van SRK - als zijnde zijn werkgever - te komen.
SRK heeft haar standpunt in de nadere toelichting ter rolle van 12 oktober 2006 nog verder toegelicht. Zij heeft daarbij onder meer verwezen naar een uitspraak van de kantonrechter te Leiden van 9 augustus 2006, JAR 2006/219, en een uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling van 21 augustus 2006 (2006-183). Op de toelichting zal in het navolgende - voor zover van belang - nader worden ingegaan.