ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5089
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring en weigering verblijfsvergunning
De vreemdeling heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit tot ongewenstverklaring en de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier. Hij verzocht om voorlopige voorzieningen om uitzetting te voorkomen en het besluit tot ongewenstverklaring te schorsen.
De rechtbank overweegt dat de vreemdeling meerdere malen is veroordeeld voor diefstal en daardoor een gevaar vormt voor de openbare orde. De minister heeft op grond van artikel 67 Vreemdelingenwet Pro 2000 de vreemdeling ongewenst verklaard. De belangenafweging door de minister is zorgvuldig en proportioneel uitgevoerd, waarbij het algemene belang zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van de vreemdeling.
De vreemdeling heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro inzake gezinsleven met zijn partner wordt door de rechtbank afgewezen, mede omdat de partner in het land van herkomst kan verblijven.
De rechtbank stelt vast dat een vreemdeling die ongewenst is verklaard geen rechtmatig verblijf kan hebben en daarom geen belang heeft bij voorlopige voorzieningen tegen een afwijzing van een verblijfsvergunning. Het verzoek om voorlopige voorzieningen wordt dan ook afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorzieningen af omdat de vreemdeling geen belang heeft zolang hij ongewenst is verklaard.