ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5104
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wegens strijd met artikel 8 EVRM
Verzoeker, houder van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, werd veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf in België wegens ernstige strafbare feiten. Op grond hiervan trok verweerder zijn verblijfsvergunning in en verklaarde hem ongewenst. Verzoeker stelde dat het besluit onrechtmatig was, onder meer omdat het deskundigenadvies van het Openbaar Ministerie niet aan de vereisten voldeed en het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en artikel 9 IVRK Pro.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het deskundigenbericht als ambtsbericht als betrouwbaar mocht worden beschouwd en dat de intrekking en ongewenstverklaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 terecht waren genomen. Echter, bij de belangenafweging met betrekking tot het gezinsleven, waarbij verzoekers echtgenote en kinderen in Nederland zijn geworteld en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, werd geoordeeld dat het onredelijk is van hen te verlangen Georgië te verlaten.
De voorzieningenrechter vond dat de belangenafweging niet in redelijkheid in het nadeel van verzoeker had kunnen uitvallen en dat het besluit daarom in strijd was met artikel 8 EVRM Pro. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd, het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en de proceskosten werden aan verzoeker toegekend.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wordt vernietigd wegens strijd met artikel 8 EVRM.