ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5354

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/9520 MAWKLU en AWB 06/8832 MAWKLU
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.C. de Rijke-Maas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:86 AwbArt. 39 AMAR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag ambtenaar wegens ontheffing uit initiële opleiding na onvoldoende fysieke resultaten

Verzoekster, een militair, werd ontslagen op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) wegens ontheffing uit de initiële opleiding omdat zij onvoldoende resultaat behaalde voor de fysieke eisen. De Staatssecretaris van Defensie wijzigde de datum van ontheffing en verklaarde het bezwaar van verzoekster ongegrond.

Verzoekster maakte geen bezwaar tegen de beoordeling van haar fysieke testresultaten en heeft geen rechtsmiddelen tegen de besluiten aangewend, waardoor deze feiten vaststaan. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder bevoegd was het ontslag te verlenen en dat verzoekster voldoende gelegenheid had gekregen om via twee herexamens alsnog aan de functie-eisen te voldoen.

De gronden met betrekking tot certificaten en het meetsysteem konden niet in deze procedure worden meegenomen omdat deze betrekking hadden op de ontheffing zelf, die niet onderwerp van het bestreden besluit was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het ontslag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
Reg. nrs. AWB 06/9520 MAWKLU en AWB 06/8832 MAWKLU
Proces-verbaal van de mondelinge
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:84,
eerste lid, en artikel 8:86, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het beroep van
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
ter zake van het besluit van 23 november 2006 van de Staatssecretaris van Defensie, verweerder, waarbij het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 11 september 2006, houdende het ontslag van verzoekster met ingang van 1 oktober 2006 op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) wegens ontheffing van de initiële opleiding, ongegrond is verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 29 november 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank (AWB 06/9520 MAWKLU).
Het verzoek om een voorlopige voorziening, zoals verzocht bij brief van
3 november 2006 hangende het bezwaar tegen het primaire besluit van
11 september 2006, wordt ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep.
Het verzoek is op 30 november 2006 ter zitting behandeld.
Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. de Haas als haar raadsman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. C.A.D. Berkhuizen.
I. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
1. Met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak.
2. In artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h, van het AMAR is bepaald dat aan de militair ontslag kan worden verleend wegens ontheffing van de initiële opleiding tot het volgen waarvan hij bij zijn aanstelling is aangewezen, om reden dat hij niet voldoet aan de bij die opleiding gestelde eisen.
3. Bij besluit van 31 juli 2006 is verzoekster per 12 juli 2006 ontheven uit de initiële opleiding omdat zij onvoldoende resultaat heeft behaald voor de Fysieke Eisen (FFE). Bij besluit van 13 september 2006 is de datum van ontheffing gewijzigd in 14 augustus 2006. Verzoekster heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend en heeft evenmin bij de voorzitter van de examencommissie bezwaar gemaakt tegen de beoordeling van de door haar afgelegde test. De resultaten van de FFE alsmede voornoemde besluiten staan derhalve in rechte vast.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat daarmee vast dat verweerder bevoegd was om verzoekster met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h, van het AMAR ontslag te verlenen.
5.1 De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de certificaten korporaal GRV en Bewaking respectievelijk AZV, de fysieke eisen en het meetsysteem in een procedure ter zake van de ontheffing van de opleiding naar voren had kunnen worden gebracht. Nu het thans bestreden besluit niet de ontheffing van de opleiding regardeert, zal de voorzieningenrechter deze gronden buiten beschouwing laten.
5.2 De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder verzoekster in de gelegenheid heeft gesteld om twee herexamens af te leggen en haar daarmee alle gelegenheid heeft geboden om aan de functie-eisen te voldoen.
6. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen om verzoekster te ontslaan op eerdergenoemde grond.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb.
II. Beslissing
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus gegeven door mr. C.C. de Rijke-Maas, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2006, in tegenwoordigheid van de griffier, A.J. Faasse - van Rossum