ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ6125

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/11695
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:3 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:15 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken besluit in asielprocedure

Eiser verzocht op 10 februari 2003 om een verblijfsvergunning op grond van discretionaire bevoegdheid. Verweerder wees dit verzoek aanvankelijk af en verklaarde een bezwaar niet-ontvankelijk, maar trok deze beslissing later in. Bij brief van 26 januari 2006 trok verweerder de eerdere beslissing in en gaf aan dat het verzoek als een asielaanvraag zou worden behandeld. Eiser maakte bezwaar tegen deze brief, maar verweerder stuurde dit bezwaar door aan de rechtbank als beroepschrift.

De rechtbank oordeelde dat de brief van 26 januari 2006 geen besluit bevatte waartegen beroep openstaat, omdat het geen inhoudelijk oordeel gaf over de asielgerelateerde verblijfsaanspraken. Hierdoor was artikel 7:1 Awb Pro niet uitgesloten en had verweerder het bezwaar moeten behandelen. De brief bevatte tevens een impliciete weigering om te besluiten op de reguliere verblijfsvergunningaanvraag, wat gelijkgesteld wordt aan een besluit, maar waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en zond het beroep terug aan verweerder om het als bezwaar te behandelen. Tevens merkte de rechtbank op dat verweerder nog niet had beslist op het eerdere bezwaar van 11 december 2003. Het beroep werd daarom niet ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen besluit is genomen waartegen beroep openstaat.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
zittinghoudende te Utrecht
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 06/11695 BEPTDN
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 13 november 2006
inzake
[eiser], geboren op [geboortedatum] 1969, van Syrische nationaliteit,
eiser,
gemachtigde: mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht,
tegen een besluit van
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,
gemachtigde: mr. M.P. Verveer, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.
Inleiding
1.1 Op 10 februari 2003 heeft eiser verweerder verzocht gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid en hem in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning.
1.2 Bij brief van 24 juni 2003 heeft verweerder eiser bericht dat zijn brief geen omstandigheden bevat die aanleiding kunnen geven om gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Eiser heeft hiertegen op 11 december 2003 bezwaar gemaakt.
1.3 Bij beschikking van 13 september 2004 heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Op 16 maart 2005 heeft verweerder deze beschikking ingetrokken.
1.4 Bij brief van 26 januari 2006 heeft verweerder de beslissing van 24 juni 2003 ingetrokken en eiser medegedeeld dat zijn verzoek het karakter heeft van een asielaanvraag waarop inhoudelijk zal worden beslist. Tegen deze brief van 26 januari 2006 heeft eiser bezwaar gemaakt.
1.5 Bij brief van 1 maart 2006 heeft verweerder laatstgenoemd bezwaarschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:15 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.
1.6 Het geding is behandeld ter zitting van 18 oktober 2006, waar eiser in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.
Overwegingen
2.1 In geschil is allereerst of de brief van verweerder van 26 januari 2006 een besluit is waartegen beroep open staat.
2.2 Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat achteraf bezien het bezwaarschrift ten onrechte aan de rechtbank is toegezonden. Gelet op het bepaalde in artikel 6:3 Awb Pro is eisers brief van 23 februari 2006 niet-ontvankelijk nu verweerder in de brief van 26 januari 2006 uitsluitend kenbaar heeft gemaakt dat eisers aanvraag als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel wordt aangemerkt en derhalve een procedurebeslissing behelst en geen beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb Pro. Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
2.3 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder eisers aanvraag ten onrechte louter als een asielaanvraag heeft aangemerkt. Eiser heeft een beroep gedaan op schrijnende factoren, hetgeen per definitie een reguliere aanvraag inhoudt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 19 november 2004 (JV 2005, 26) komt eenduidig naar voren dat een Nawijn-brief zowel een asiel als een regulier gerelateerde aanvraag kan inhouden.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.4 Ingevolge artikel 7:1 Awb Pro dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar te maken.
2.5 Ingevolge artikel 80 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw) juncto artikel 79, eerste lid, Vw (voorzover hier van belang) is artikel 7:1 Awb Pro niet van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en 33.
2.6 De rechtbank stelt vast dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen het schrijven van 26 januari 2006 en dat verweerder dit bezwaarschrift aan de rechtbank heeft doorgezonden ter behandeling als beroepschrift, omdat het hier zou gaan om een asielaanvraag en in asielzaken behandeling in bezwaar niet mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier echter geen bezwaar tegen een besluit als bedoeld in artikel 79 Vw Pro, omdat het schrijven van 26 januari 2006 geen besluit bevat omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en 33 Vw noch enig ander besluit genoemd in dit artikel. In de brief van 26 januari 2006 heeft verweerder immers geen inhoudelijk oordeel gegeven over eisers verblijfsaanspraken op asielgerelateerde gronden.
2.7 Gelet hierop is artikel 7:1 Awb Pro niet van toepassing uitgesloten. De rechtbank zal het beroep ingevolge artikel 6:15 Awb Pro aan verweerder (terug)zenden met het verzoek het alsnog in behandeling te nemen als bezwaarschrift.
2.8 De rechtbank overweegt voorts dat de brief van verweerder van 26 januari 2006 tevens een (impliciete) weigering bevat om een besluit te nemen op een naar eiser stelt in de brief van 10 februari 2003 vervatte aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:2 Awb Pro wordt deze weigering met een besluit gelijkgesteld. Nu tegen een dergelijk besluit echter (ook) eerst beroep openstaat nadat verweerder op bezwaar heeft beslist, zal de rechtbank het beroep van eiser ook in zoverre doorzenden aan verweerder om te worden behandeld als bezwaarschrift. Ten overvloede voegt de rechtbank daaraan toe dat verweerder ook nog immer niet beslist heeft op het hiervoor onder 1.2 genoemde door eiser ingediende bezwaarschrift van 11 december 2003.
Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Ebbens, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 13 november 2006, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als griffier.
de griffier de rechter
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Algemene Pro wet bestuursrecht is niet van toepassing.