ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ6632
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens onrechtmatig verblijf op detentieboot na zes maanden
Eiser werd op 4 april 2006 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Ondanks meerdere eerdere afwijzingen van zijn beroepen tegen voortduring van de maatregel, stelde hij beroep in tegen de voortzetting van de bewaring na ruim acht maanden. Eiser had voldoende medewerking verleend aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit en verbleef onder zware omstandigheden op de detentieboot te Rotterdam.
Verweerder voerde aan dat de maatregel rechtmatig voortduurde vanwege het belang van uitzetting en het feit dat de Surinaamse autoriteiten nog geen negatieve reactie hadden gegeven op de laissez-passer aanvraag. De rechtbank overwoog dat na zes maanden vrijheidsontneming het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij voortzetting.
De rechtbank oordeelde dat de voortgezette bewaring onrechtmatig was en in strijd met de wet, mede gelet op een eerdere uitspraak van de kortgedingrechter. De bewaring werd per direct opgeheven, en eiser werd een schadevergoeding toegekend van €70 per dag vanaf de datum van het beroepschrift. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Bewaring wordt opgeheven en eiser krijgt schadevergoeding en proceskosten toegekend.