ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ6996
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens verslechterde situatie Irak
Verzoekster, een vrouw van Iraakse nationaliteit en sjiitische afkomst, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de IND werd afgewezen wegens gebrek aan geloofwaardigheid en toerekenbaar ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening tegen deze afwijzing.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende was ingegaan op de door verzoekster overgelegde recente documenten die een verslechterde situatie in Irak aantoonden, na het laatste ambtsbericht van april 2006. Hoewel de minister beleidsvrijheid heeft en het beleid kan afstemmen op dat van andere EU-landen, was het oordeel dat gedwongen verwijdering geen bijzondere hardheid oplevert niet redelijk onderbouwd.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de afwijzing van de aanvraag niet zorgvuldig was gemotiveerd en dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom moest worden toegewezen. Verweerder werd verboden om verwijderingsmaatregelen te treffen totdat op het beroep was beslist. De rechtbank wees ook proceskosten toe aan verzoekster.
De zaak werd verwezen naar een meervoudige kamer voor verdere behandeling van het beroepschrift, en onmiddellijke beslissing op het beroep werd niet gegeven. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt toegewezen en verwijdering wordt opgeschort.