ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ7390
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verbod op uitzetting op basis van EU-staat zolang laissez-passer Nepal niet is toegekend
Verzoekster, van Nepalese nationaliteit, stond gepland voor uitzetting naar Nepal op 28 november 2006 op basis van een EU-staat. Zij maakte bezwaar tegen deze uitzetting en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overwoog dat het gebruik van een EU-staat in beginsel toelaatbaar is, maar dat verweerder nog niet had voldaan aan de eerste voorwaarde uit het beleid (A4/6.3.2 Vc) omdat het presentatietraject bij de Nepalese vertegenwoordiging nog niet was afgerond.
De Nepalese vertegenwoordiging had nog geen beslissing genomen over de afgifte van een laissez-passer, en er waren geen afspraken met de Nepalese autoriteiten over het gebruik van een EU-staat. Verzoekster had niet aannemelijk gemaakt dat zij met een EU-staat niet uitgezet kon worden of dat zij daardoor in problemen zou raken.
De voorzieningenrechter constateerde dat verweerder ondanks een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak nog steeds in strijd met het legaliteitsbeginsel handelde door het gebruik van een EU-staat zonder wettelijke basis. Desondanks werd de uitzetting om andere redenen niet toegestaan. De rechtbank verbood de uitzetting op basis van een EU-staat totdat duidelijk is of de Nepalese vertegenwoordiging een laissez-passer afgeeft. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank verbood de uitzetting van verzoekster op basis van een EU-staat totdat duidelijk is of de Nepalese vertegenwoordiging een laissez-passer afgeeft.