ECLI:NL:RBSGR:2006:BA2079
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering tewerkstellingsvergunning voor Poolse dienstverrichter in strijd met vrij verkeer van diensten
De werkgever, een Pools bouwbedrijf, vroeg tewerkstellingsvergunningen aan voor Poolse werknemers die tijdelijk werkzaamheden in Nederland zouden verrichten. De aanvragen werden door de Centrale organisatie werk en inkomen (COWI) geweigerd. De werkgever stelde dat de vergunningplicht in strijd was met het vrij verkeer van diensten op grond van artikel 49 en Pro 50 EG-Verdrag, omdat de werknemers na voltooiing van het werk zouden terugkeren naar Polen en niet de Nederlandse arbeidsmarkt zouden betreden.
De rechtbank oordeelde dat de werkzaamheden inderdaad onder het vrij verkeer van diensten vallen en dat Nederland geen voorbehoud had gemaakt tegen het vrij verrichten van diensten door Poolse ondernemingen. De jurisprudentie van het Hof van Justitie (Rush Portugesa, Van der Elst, Commissie/Luxemburg) werd toegepast, waaruit volgt dat het vooraf eisen van een tewerkstellingsvergunning een disproportionele belemmering vormt.
De rechtbank stelde vast dat de toetsing voorafgaand aan de dienstverrichting, zoals het vaststellen van een vast dienstverband en het naleven van arbeidsvoorwaarden, niet gerechtvaardigd is als vergunningseis. Hoewel controle achteraf mogelijk moet zijn, mag dit niet leiden tot een vergunningplicht die formaliteiten en vertragingen veroorzaakt. Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de vergunningen voor het project in Lijnden werd vernietigd, met behoud van de rechtsgevolgen van het besluit. Voor andere projecten werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard voor het project in Lijnden en het besluit tot weigering van tewerkstellingsvergunningen is vernietigd, met behoud van de rechtsgevolgen.