Eiser, werkzaam als taxichauffeur, kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd over de periode 8 november 1999 tot 10 oktober 2000, inclusief een verzuimboete. De aanslag en boete werden verminderd door verweerder, maar eiser ging in beroep tegen deze besluiten.
De kern van het geschil betrof de vraag of eiser de auto voor ten minste 90% voor taxivervoer had gebruikt, wat recht geeft op vrijstelling van MRB. Eiser overhandigde een kilometeradministratie, maar deze was niet verifieerbaar doordat gegevens uit de taxameter waren gewist en relevante documenten ontbraken. Verweerder stelde dat ook bepaalde ritten niet als taxivervoer kwalificeerden.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aan zijn bewijslast had voldaan en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat eiser vermoedelijk een kilometeronderbreker had laten inbouwen, wat in andere gevallen niet speelde. De verzuimboete werd passend geacht gezien de omstandigheden.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, handhaafde de aanslag en boete op de lagere bedragen vastgesteld in december 2006 en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht aan eiser.