ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ6637
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J. Diemer
- H.J.M. Baldinger
- C.I.H. Fockens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring op grond van gevaar voor nationale veiligheid
Eiser, lid van de Hofstadgroep en veroordeeld voor deelname aan een terroristische organisatie, werd op basis van een individueel ambtsbericht van de AIVD als gevaar voor de nationale veiligheid aangemerkt. Verweerder trok daarop zijn verblijfsvergunning in en verklaarde hem ongewenst. Eiser maakte hiertegen bezwaar en beroep, stellende dat het ambtsbericht onvoldoende onderbouwd was en dat hij niet in de gelegenheid was gesteld zich te verweren tegen de feitelijke bevindingen van de rechtbank. Tevens voerde hij aan dat uitzetting naar Marokko zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege de mensenrechtensituatie.
De rechtbank oordeelde dat het ambtsbericht van de AIVD voldoende zorgvuldig was opgesteld en dat verweerder terecht op dit ambtsbericht had kunnen vertrouwen. De rechtbank verwierp het betoog dat eiser na inzage van de onderliggende stukken alsnog in de gelegenheid moest worden gesteld te reageren, vanwege de bepalingen in de WIV 2002 en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro werd afgewezen omdat eiser onvoldoende concrete persoonlijke omstandigheden had gesteld die een reëel risico op onmenselijke behandeling bij terugkeer aannemelijk maken.
Verder oordeelde de rechtbank dat de inmenging in het recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) gerechtvaardigd was gezien het belang van de nationale veiligheid en dat de belangenafweging door verweerder zorgvuldig was gemaakt. Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang, nu de ongewenstverklaring voortduurde. Het beroep tegen de ongewenstverklaring werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.