ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ8965

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
15 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/9381 MAW
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 3 MAWArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen beroepschrift ondanks dienstreizen in het buitenland

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van 21 september 2006, dat op 22 september 2006 is verzonden. De rechtbank beoordeelt of de beroepstermijn verlengd moet worden op grond van artikel 3, eerste lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW), omdat eiser tijdens de termijn meerdere keren voor dienst in het buitenland verbleef.

De rechtbank oordeelt dat de MAW niet van toepassing is omdat de dienstreizen werden onderbroken door meerdaags verblijf in Nederland, waardoor eiser voldoende gelegenheid had om tijdig beroep in te stellen. De beroepstermijn van zes weken, zoals gesteld in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is dan ook van toepassing.

Het beroepschrift is ontvangen op 13 november 2006, terwijl de termijn op 3 november 2006 was verstreken. Het beroepschrift is ook niet tijdig ter post bezorgd. Er zijn geen omstandigheden die het verzuim van eiser rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk en sluit het onderzoek.

Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van het beroepschrift.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
derde afdeling, enkelvoudige kamer
Reg.nr. AWB 06/9381 MAW
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:54
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
UITSPRAAK IN HET GEDING TUSSEN
[eiser], wonende te [gemeente A], eiser,
en
de Commandant der Zeestrijdkrachten, verweerder.
I. PROCESVERLOOP
1. Eiser heeft bij brief van 10 november 2006 beroep ingesteld tegen een besluit van 21 september 2006, waarbij verweerder zijn besluit van 11 januari 2006 na bezwaar heeft gehandhaafd.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser kennelijk niet-ontvankelijk is en heeft derhalve met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb het onderzoek in de zaak gesloten. Dit oordeel is gegrond op de volgende overwegingen.
2. Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW) bedraagt, in afwijking van artikel 6:7 van Pro de Awb, de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of beroepschrift dertien weken, indien de belanghebbende zich om redenen van dienst buiten Nederland bevindt.
3. Uit de stukken blijkt dat het bestreden besluit op 21 september 2006 is gedagtekend en uiterlijk op 22 september 2006 is verzonden. Voorts is gebleken dat eiser van 26 september tot en met 29 september 2006, van 3 tot en met 6 oktober 2006, van 8 tot en met 13 oktober 2006 en van 23 tot en met 26 oktober 2006 op dienstreis was. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of - onder toepassing van artikel 3, eerste lid, van de MAW - afgeweken moet worden van de in artikel 6:7 van Pro de Awb gestelde beroepstermijn, nu eiser gedurende de beroepstermijn verschillende malen om redenen van dienst in het buitenland verbleef. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 3, eerste lid, van de MAW niet het oog op elke situatie waarin de militair tijdens de bezwaar- of beroepstermijn op enig tijdstip om redenen van dienst in het buitenland verblijft. Eiser heeft tijdens de beroepstermijn weliswaar meerdere malen in het buitenland vertoefd, doch deze dienstreizen werden telkenmale onderbroken door een meerdaags verblijf in Nederland. Eiser heeft derhalve voldoende tijd gehad om het instellen van beroep te regelen. Toepassing van artikel 3, eerste lid, van de MAW is dan ook niet aan de orde en de termijn waarbinnen beroep dient te worden ingesteld bedraagt mitsdien 6 weken.
4. De beroepstermijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van die wet is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
5. Het bestreden besluit is uiterlijk bekendgemaakt op 22 september 2006, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is begonnen op 23 september 2006 en geëindigd op 3 november 2006. Het beroepschrift is op 13 november 2006 door de rechtbank ontvangen. Het beroepschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend.
6. Ten aanzien van de vraag of het beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, overweegt de rechtbank het volgende. Het beroepschrift is blijkens de poststempel op de envelop op 10 november 2006 ter post is bezorgd. Hiermee staat vast dat eiser het beroepschrift niet uiterlijk op de laatste dag van de termijn heeft verzonden. Het bezwaarschrift kan dan ook niet worden geacht te voldoen aan het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
7. Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend bezwaarschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
8. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In de reeds eerder onder punt 3 vermelde dienstreizen naar het buitenland ziet de rechtbank geen omstandigheid op grond waarvan tot verschoning van de overschrijding van de beroepstermijn kan worden geconcludeerd. Immers, eisers dienstreizen werden telkenmale onderbroken door een meerdaags verblijf in Nederland. Op die momenten had eiser ter sauvering van de beroepstermijn in ieder geval een voorlopig beroepschrift kunnen (laten) indienen. Dat het verblijf in het Nederland gedeeltelijk plaatsvond in het weekend kan daaraan niet afdoen. Voorts kan de door eiser aangevoerde omstandigheid dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de beroepstermijn een aanvang neemt op het moment van ontvangst van het besluit, hem niet baten. In de rechtsmiddelenvermelding onder het bestreden besluit is nadrukkelijk vermeld dat de beroepstermijn een aanvang neemt op het moment van uitreiking dan wel verzending van het besluit.
7. Gelet op het voorgaande dient het beroep van eiser niet-ontvankelijk te worden verklaard.
8. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.
III. BESLISSING
De rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. E. Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P.J. Heesen.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij aan de rechtbank verzoeken omtrent het verzet te worden gehoord.