ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9288

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/755114-06 (beslissing op vordering ex artikel 36e Sr)
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Van der Burg
  • Van der Poort-Schoenmakers
  • Bierling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens meervoudige oplichting

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op 21 februari 2007 een beslissing genomen op een vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde. De veroordeelde werd veroordeeld voor meervoudige oplichting en het wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op €29.900.

Tijdens de zitting van 7 februari 2007 heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd en is de veroordeelde, bijgestaan door zijn advocaat, gehoord. De rechtbank baseert haar oordeel op wettige bewijsmiddelen, waaronder een proces-verbaal van de politie Haaglanden, en verklaart het voordeel bewezen.

De rechtbank neemt het bedrag van €29.900 als grondslag, verminderd met reeds aan benadeelden betaalde €23.800, en legt de veroordeelde op om €6.100 aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Sr en is uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €6.100 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(BESLISSING EX ARTIKEL 36e SR)
parketnummer 09/755114-06
's-Gravenhage, 21 februari 2007
Beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1959,
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden, Penitentiair Complex Scheveningen, Jeugdhuis van Bewaring De Sprang, unit 3, te Den Haag.
De vordering.
De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 29.494,46.
Het onderzoek ter zitting.
Ter terechtzitting van 7 februari 2007 heeft de officier van justitie bij de vordering gepersisteerd.
De veroordeelde, bijgestaan door de raadsvrouw mr C.L.A. de Sitter, advocaat te Den Haag, is verschenen en op de vordering gehoord.
Beoordeling van de vordering.
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van heden, voor zover van belang, veroordeeld terzake van het strafbare feit:
oplichting, meermalen gepleegd.
In deze zaak is door de politie Haaglanden, Bureau Bovenregionale Recherche, Interregionaal Fraudeteam, een proces-verbaal d.d. 7 december 2006 opgesteld ter zake van de berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op grond van het onderzoek ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde door middel van het hiervoor genoemde strafbaar feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De bewijsmiddelen.
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing vereist met de bewijsmiddelen, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan deze beslissing zal worden gehecht.
Motivering van de op te leggen maatregel.
De rechtbank neemt als grondslag van de vordering in aanmerking het in de strafzaak onder parketnummer 09/755114-06 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feit.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt.
Aan veroordeelde is, gelet op de 19 aangiftes ter zake van oplichting die zich in het dossier bevinden, een bedrag van in totaal € 29.900,00 afgegeven.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om op dit bedrag kosten in mindering te brengen nu onduidelijk is gebleven hoe eventuele kosten zouden zijn opgebouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve een bedrag aan kosten te bepalen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 29.900,00.
Blijkens het vonnis van deze rechtbank van heden moet de veroordeelde een bedrag van in totaal € 23.800,00 aan een aantal benadeelde partijen betalen.
Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Hieruit volgt dat de rechtbank de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling van € 6.100,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing.
De rechtbank,
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 29.900,00;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 6.100,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze beslissing is genomen door
mrs Van der Burg, voorzitter,
Van der Poort-Schoenmakers en Bierling, rechters,
in tegenwoordigheid van Van Nuss, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2007.