ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9428
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens opschorting uitzetting na motie-Bos en generaal pardon
Eiser, een vreemdeling uit Tadzjikistan, werd op 22 augustus 2006 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na een besluit tot ongewenstverklaring op 6 november 2006, dat op 29 november 2006 werd ingetrokken, werd een nieuw besluit nog niet genomen. Eiser maakte bezwaar tegen de voortzetting van zijn bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heropende het onderzoek na een brief van 14 december 2006 van de minister-president, waarin werd aangegeven dat gedwongen uitzettingen van ex-asielzoekers in het kader van het project Terugkeer per direct werden opgeschort, zonder vooruit te lopen op een mogelijke pardonregeling. De rechtbank oordeelde dat eiser tot de doelgroep van deze brief behoort en dat de opschorting ook geldt voor personen met mogelijke criminele antecedenten, mits geen veroordeling wegens ernstige delicten is vastgesteld.
Omdat vanaf 14 december 2006 geen zicht meer bestond op uitzetting van eiser, kon de bewaring niet langer het doel dienen waarvoor zij was opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, hechtte de bewaring op met ingang van die datum en kende een schadevergoeding toe van €560,- voor de onrechtmatige bewaring. Tevens werden de proceskosten van €805,- aan eiser toegekend.
Uitkomst: De rechtbank heft de vreemdelingenbewaring op en kent schadevergoeding en proceskosten toe.