ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9467

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/1503
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:70 AwbArt. 8:75 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduring vrijheidsontnemende maatregel en gebruik EU-document bij terugkeer Afghaanse vreemdeling

Eiser, een Afghaanse vreemdeling, werd op 27 oktober 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld. Na een eerdere uitspraak die het beroep tegen deze maatregel ongegrond verklaarde, stelde eiser opnieuw beroep in tegen de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel en vorderde hij opheffing en schadevergoeding.

Eiser voerde aan dat verweerder niet voortvarend handelde, dat er onduidelijkheid was over het onderzoek naar de laissez-passer en dat onvrijwillige terugkeer met een EU-document niet in overeenstemming zou zijn met het Memorandum of Understanding (MoU). Verweerder stelde dat het onderzoek gaande was, dat er zicht was op uitzetting en dat de werkwijze in overeenstemming was met het MoU.

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek naar de laissez-passer voldoende was toegelicht en dat het MoU weliswaar uitgaat van vrijwillige terugkeer, maar gedwongen verwijdering als uiterste mogelijkheid niet uitsluit, mits de betrokkene de kans krijgt alsnog vrijwillig terug te keren binnen een maand. Het gebruik van het EU-document bij gedwongen terugkeer is niet strijdig met het MoU. Daarnaast was er geen sprake van onvoldoende voortvarendheid of disproportionaliteit van de maatregel.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, waarbij werd vastgesteld dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig en proportioneel was.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 96 en Pro artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 07/1503
V-nr.: [nummer]
inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1981, van (gestelde) Afghaanse nationaliteit, verblijvende in het Huis van Bewaring Geniepoort te Alphen aan den Rijn, eiser,
gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar
tegen: de Minister van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. S. Vermaas, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 27 oktober 2006 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 november 2006 is het beroep van eiser gericht tegen deze maatregel ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 9 januari 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 23 januari 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.
Verweerder heeft niet voortvarend gehandeld. Sinds 7 december 2006 lijken er geen uitzettingshandelingen meer te zijn verricht door verweerder. De laissez-passer aanvraag is sinds de presentatie in persoon op 7 december 2006 in onderzoek. Wat dit onderzoek inhoud is eiser niet bekend. De consul heeft vastgesteld dat eiser afkomstig is uit Afghanistan en eiser bevindt zich nog steeds in vreemdelingenbewaring. Er is ook onvoldoende zicht op uitzetting. Onvrijwillige terugkeer naar Afghanistan met een EU-document is niet in overeenstemming met het Memorandum of Understanding (MoU). Een snelle oplossing lijkt dan ook niet voorhanden. Een lichter middel is dan ook op zijn plaats. Dit staat het onderzoek niet in de weg en er zijn geen indicaties in het dossier dat eiser in vreemdelingenbewaring dient te blijven om hem uit te kunnen zetten.
Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.
Verweerder handelt voldoende voortvarend en er is zicht op uitzetting. Op 7 december 2006 is eiser in persoon gepresenteerd. De werkwijze die verweerder hanteert is in overeenstemming met de bepalingen in het MoU. Verweerder is nu in afwachting van een reactie van de UNHCR met betrekking tot de bezwaartermijn. De UNHCR zal in de gegeven termijn nagaan of eiser uitgezet kan worden naar Afghanistan. Deze bezwaartermijn loopt af in week vier. Na ommekomst van deze termijn kan eiser, indien er geen bezwaar is gemaakt door de UNHCR, op een EU-document uitgezet worden. Een mogelijke vlucht kan dan aangevraagd worden voor de maand maart. Deze termijn kan bekort worden indien eiser vrijwillig wil terugkeren naar Afghanistan.
De rechtbank overweegt het volgende.
Eisers grief dat niet duidelijk blijkt uit de voortgangsrapportage wat de inhoud van het onderzoek is volgt de rechtbank niet. Paragraaf 10 van de voortgangsrapportage vermeldt dat de Afghaanse consul heeft gezegd dat eisers papieren naar Afghanistan zullen worden gestuurd voor onderzoek en afgifte van een laissez-passer. Daarmee is reeds voldoende informatie gegeven over het thans aanhangige onderzoek. Verweerder kan dan ook volstaan met de vermelding dat de laissez-passer aanvraag in onderzoek is.
Evenmin volgt de rechtbank eisers grief dat onvrijwillige terugkeer naar Afghanistan met een EU-document niet in overeenstemming is met het MoU. Uit paragrafen 2 en 3 van het MoU, welke als bijlage aan deze uitspraak is gehecht, blijkt dat het MoU uit gaat van vrijwillige terugkeer van Afghanen die verblijven in Nederland, maar alternatieven voor vrijwillige terugkeer
-waaronder de rechtbank begrijpt gedwongen verwijdering- niet uitsluit. Wel gaat het MoU er van uit dat dergelijke alternatieven een uiterste mogelijkheid zijn en dat de betreffende persoon in de gelegenheid gesteld dient te worden om alsnog vrijwillig terug te keren. De termijn die hiervoor is gesteld is één maand. Dat het EU-document niet nadrukkelijk in het MoU zelf wordt genoemd, maakt het gebruik daarvan niet strijdig met het MoU. Gebruik van het EU-document wordt immers niet gebruikt in geval van vrijwillige terugkeer, waarop het MoU ziet. Uit een door verweerder ter zitting overgelegde brief van 22 januari 2007 blijkt dat gedwongen verwijdering met een EU-document (feitelijk) mogelijk is. Sinds 10 oktober 2006 zijn er blijkens verweerders inlichtingen zeventien personen verwijderd naar Afghanistan, waarvan vijftien personen gedwongen zijn teruggekeerd naar Afghanistan op een EU-document.
Niet is gebleken dat verweerder het onderzoek met onvoldoende voortvarendheid ter hand neemt of dat een reëel perspectief op uitzetting ontbreekt.
Ten aanzien van eisers grief aangaande een lichter middel overweegt de rechtbank het navolgende. De rechtbank heeft in haar vorige uitspraak van 14 november 2006 hierover al geoordeeld. Nu eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen die leiden tot een andersluidend oordeel, blijft de rechtbank van oordeel dat de opgelegde maatregel in redelijkheid niet disproportioneel te achten is.
Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel of de wijze van tenuitvoerlegging niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van Pro de Vw 2000 of artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 januari 2007 door mr. G.S. Crince le Roy, voorzitter, in tegenwoordigheid van J.G.J. Geerlings, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.