ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9988
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring vreemdeling
Verzoeker, een vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, werd door de Minister van Justitie met terugwerkende kracht zijn vergunning ingetrokken en ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het verplaatsen van zijn hoofdverblijf en een veroordeling door de meervoudige strafkamer.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht om een voorlopige voorziening die de uitzetting zou schorsen totdat op het bezwaar tegen de ongewenstverklaring was beslist. De rechtbank oordeelde dat verzoeker wel belang had bij het verzoek, omdat het hem de mogelijkheid biedt zijn bezwaar in Nederland af te wachten.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het besluit tot ongewenstverklaring zorgvuldig tot stand was gekomen, dat verzoeker geen rechtmatig verblijf meer had vanwege het verplaatsen van zijn hoofdverblijf, en dat hij een gevaar vormde voor de openbare orde. Verzoekers argumenten, waaronder schending van het EVRM en onzorgvuldigheden in de procedure, werden onvoldoende onderbouwd geacht.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar tegen de ongewenstverklaring geen redelijke kans van slagen had en wees het verzoek om schorsing van de uitzetting af.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening die de uitzetting schorst wordt afgewezen.