ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0567
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de voortzetting van zijn bewaring op grond van artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft reeds eerder de rechtmatigheid van de bewaring als zodanig beoordeeld en nu staat de vraag centraal of verdere voortzetting van de bewaring redelijkerwijs gerechtvaardigd is.
De rechtbank overweegt dat gezien de gepresenteerde cijfers over het aantal afgegeven laissez-passers door de Chinese autoriteiten in 2006, en het ontbreken van nadere informatie over de specifieke gevallen waarin wel een laissez-passer is afgegeven, er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Dit oordeel wordt mede ondersteund doordat eiser de benodigde gegevens voor de laissez-passeraanvraag heeft verstrekt, ondanks een aanvankelijke weigering tot medewerking.
Op basis hiervan verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €644,-, te voldoen aan de griffier van de rechtbank.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.