ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0568
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van zijn bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder het beroep ongegrond verklaard, maar in deze procedure beoordeelt zij of de voortzetting van de bewaring redelijk is gezien de omstandigheden.
De rechtbank weegt de cijfers over afgegeven laissez-passers door de Chinese autoriteiten, waaruit blijkt dat in 2006 slechts in 37 van 1304 gevallen een laissez-passer werd toegezegd, en constateert dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat uitzetting binnen een redelijke termijn mogelijk is. De stelling van verweerder dat eiser onvoldoende identiteitgegevens verstrekte, wordt verworpen omdat een laissez-passer aanvraag op basis van door eiser verstrekte gegevens in behandeling is genomen.
Gezien de bijna negen maanden durende bewaring en het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de bewaring. Een verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van € 644,- wegens rechtsbijstand.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.