ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1563
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wegens motiveringsgebrek en rechtmatig verblijf
Eiser, een Somalische vreemdeling, kreeg in 1996 op basis van onjuiste gegevens een verblijfsvergunning toegekend. Deze vergunning werd in 2001 ingetrokken en in 2003 werd eiser ongewenst verklaard vanwege criminele antecedenten. De rechtbank beoordeelt eerst de ongewenstverklaring, waarbij vaststaat dat eiser ten tijde van deze verklaring rechtmatig verblijf genoot vanwege een lopend bezwaar tegen de intrekking.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking onvoldoende gemotiveerd is, vooral omdat verweerder niet adequaat heeft gereageerd op het bezwaar van eiser met betrekking tot zijn family life zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Dit leidt ertoe dat de bevoegdheid tot ongewenstverklaring niet is komen vast te staan en het besluit in strijd met de wet is genomen.
Daarom wordt het bezwaar tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaard en het besluit herroepen. Tevens wordt eiser ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de intrekking, die eveneens wordt vernietigd vanwege motiveringsgebrek. Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten en griffierecht. De uitspraak is gedaan door voorzitter K. Mans en griffier F.M. Rensenbrink en staat open voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Besluit intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring vernietigd en herroepen wegens motiveringsgebrek en rechtmatig verblijf.