ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1576
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Verzoeker, een Nepalese nationaliteit, diende op 16 juni 2002 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Deze werd op 11 april 2003 afgewezen wegens ernstige redenen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, omdat verzoeker lid was van de Nepal Communist Party (CPN). De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing gegrond op 2 juli 2004 vanwege onvoldoende onderzoek naar het risico van schending van artikel 3 EVRM Pro bij uitzetting.
Verweerder nam op 5 september 2006 opnieuw een afwijzend besluit en verklaarde verzoeker tevens ongewenst vreemdeling op grond van artikel 67 lid 1 onder Pro e van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker maakte bezwaar tegen de ongewenstverklaring en stelde een voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter oordeelde dat de toepassing van artikel 1F terecht was en dat het bezwaar tegen de ongewenstverklaring geen redelijke kans van slagen had.
De rechter overwoog dat verweerder niet kenbaar had getoetst aan artikel 3 EVRM Pro bij de ongewenstverklaring, maar dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nepal een reëel risico loopt op foltering of onmenselijke behandeling. Verzoekers beroep op de uitspraak Salah Sheekh en rapporten over mensenrechtenschendingen in Nepal deed hieraan niet af. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de ongewenstverklaring wordt afgewezen.