ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3242
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij laissez-passer aanvraag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de voortzetting van zijn vreemdelingenbewaring nadat een eerdere uitspraak de bewaring had bevestigd. De rechtbank beoordeelt nu of de voortzetting van de bewaring gerechtvaardigd is. Uit de stukken blijkt dat de periode tussen verzending van de laissez-passer aanvraag door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de indiening bij de Indiase autoriteiten 28 dagen bedroeg. De rechtbank oordeelt dat deze periode te lang is en dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
Verweerder voerde aan dat de vertraging te wijten was aan de overgang van de Unit Facilitering Terugkeer naar de DT&V, maar dit wordt niet als bijzondere omstandigheid erkend. De rechtbank beveelt daarom de onmiddellijke opheffing van de bewaring. Tevens wordt eiser een schadevergoeding toegekend van €770,00 voor 11 dagen detentie in een huis van bewaring, berekend tegen het normbedrag van €70,00 per dag.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van €322,- voor de beroepsmatige rechtsbijstand van eiser. De Staat der Nederlanden wordt als rechtspersoon aangewezen die deze kosten aan de griffier moet voldoen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt onmiddellijk opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding van €770,00 toegekend.