ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3541
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Verzoeker, een vreemdeling van Angolese nationaliteit, werd ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, onder e van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij werd aangenomen dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing was. Verzoeker betwistte dit en maakte bezwaar tegen de ongewenstverklaring, terwijl hij tevens beroep instelde tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de ongewenstverklaring indirect gebaseerd was op de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Hierdoor kon de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring pas worden beoordeeld nadat de asielprocedure hierover definitief was afgerond. Het omkeren van de toetsingsvolgorde was niet mogelijk omdat er nog geen beschikking op bezwaar tegen de ongewenstverklaring was gegeven.
De rechtbank oordeelde dat het belang van verzoeker om in Nederland te mogen verblijven totdat de asielprocedure was afgerond zwaarder woog dan het belang van verweerder bij het niet opschorten van de rechtsgevolgen. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en werd verweerder verboden om verzoeker uit te zetten voordat op het bezwaar was beslist. Verweerder werd tevens veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schorst de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring totdat op het bezwaar is beslist.