ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3840

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
5 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/3007 IB/PVV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 26 IVBPRArt. 8.16a Wet IB 2001Art. 7:11 AwbArt. 7:12 Awb
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak bezwaar jonggehandicaptenkorting wegens gebrekkige motivering

Eiseres, geestelijk en lichamelijk gehandicapt en woonachtig in Nederland sinds 1981, verzocht om toepassing van de jonggehandicaptenkorting bij haar aanslag inkomstenbelasting 2004. Verweerder verleende deze korting niet en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelt dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd en dat verweerder niet op de bezwaarpunten is ingegaan, waardoor de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd.

De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat eiseres niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de jonggehandicaptenkorting, aangezien zij geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Eiseres stelde dat de regeling in strijd is met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel omdat zij als jonggehandicapte die na haar 17e verjaardag naar Nederland kwam wordt benadeeld.

De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarbij een ruime beoordelingsmarge aan de wetgever wordt toegekend. De wetgever heeft volgens de rechtbank een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling gegeven. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd wegens gebrekkige motivering, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/3007 IB/PVV
Uitspraakdatum: 5 april 2007
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X.], wonende te [Y.], eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 10 maart 2006 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2007.
Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [...]. Namens verweerder is verschenen [...].
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 10 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;
- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.
2. Gronden
2.1. Eiseres, geboren in 1962, is (sindsdien) geestelijk en lichamelijk gehandicapt. Zij is in 1981 in verband met gezinshereniging naar Nederland gekomen en sindsdien in Nederland woonachtig. Eisers is ongehuwd en genoot in 2004 een bijstandsuitkering ten bedrage van € 13.352, waarop € 2.655 loonheffing is ingehouden.
2.2. Bij haar aangifte heeft eiseres aangegeven dat zij en haar moeder, [moeder], voor het jaar 2004 moeten worden aangemerkt als fiscale partners in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Voorts heeft zij bij de aangifte verzocht om toepassing van de jonggehandicaptenkorting. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de jonggehandicaptenkorting niet verleend.
2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep bij de rechtbank ingesteld.
2.4. De rechtbank is- gelet op de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang gelezen met hetgeen verweerder daaromtrent in de bestreden uitspraak op bezwaar heeft overwogen - van oordeel dat de uitspraak op bezwaar niet op een deugdelijke motivering berust en derhalve in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Niet gezegd kan worden dat verweerder de aanslag op de grondslag van het bezwaar heeft heroverwogen, nu verweerder, zoals hij ook ter zitting heeft erkend, in de uitspraak op bezwaar aan de door eiseres in haar bezwaar aangevoerde argumenten voorbij is gegaan. Dit brengt mee dat evenmin is voldaan aan artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden uitspraak op het bezwaar niet in stand kan blijven. Het beroep is derhalve gegrond.
2.5. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand te laten. Dienaangaande overweegt zij het volgende.
2.6. Ingevolge artikel 8.16a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet), geldt dat de jonggehandicaptenkorting voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van hoofdstuk 2, afdeling 1, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (hierna: de Wajong) recht heeft op toekenning van een uitkering, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt.
2.7. Niet in geschil is dat eiseres geen recht heeft op toekenning van een uitkering krachtens de Wajong. Derhalve voldoet eiseres niet aan de onder 2.6. genoemde vereisten voor de toekenning van de jonggehandicaptenkorting.
2.8. Eiseres neemt het standpunt in dat de wettelijke regeling van de jonggehandicaptenkorting in strijd is met het verdragrechtelijke gelijkheidsbeginsel, dat is neergelegd in artikel 14 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), doordat deze regeling de jonggehandicapte die recht heeft op toekenning van een uitkering op grond van de Wajong, bevoordeelt boven de jonggehandicapte aan wie een dergelijk recht niet is toegekend omdat hij op het moment waarop hij ingezetene van Nederland werd, ouder was dan 17 jaar.
2.9. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. De wetgever heeft, naar onder meer volgt uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 2 juni 1999, nr. 46757/99, BNB 2002/398 (zaak Della Ciaja/Italië), een “wide margin of appreciation” bij de beoordeling of sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen alsmede of en in welke mate voor een ongelijke behandeling van gelijke gevallen een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank is de wetgever met betrekking tot het door eiseres genoemde verschil in behandeling van jonggehandicapten met recht op een Wajong-uitkering en jonggehandicapten die geen recht op een Wajong-uitkering hebben omdat zij pas na hun 17e verjaardag naar Nederland zijn gekomen, binnen deze marge gebleven. Van een in de wet opgenomen ongeoorloofde ongelijke behandeling is dan ook geen sprake.
2.10. Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor onder 1 is aangegeven.
2.11. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 10 betreffende de reiskosten.
Deze uitspraak is gedaan op 5 april 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van S. Kedar, griffier.
Afschrift aangetekend
verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.