ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4331
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen ontslag aspirant-agent wegens gebrek aan geschiktheid
Verzoekster, aspirant-agent bij Politie Haaglanden, werd ontslagen op grond van artikel 89, vierde lid, van het Barp omdat zij niet de geschiktheid bleek te bezitten die voor de dienst vereist is. Dit ontslag volgde na een aanhouding en een feitenonderzoek waaruit bleek dat verzoekster naliet strafbare feiten te melden waarvan zij kennis had en dat in haar woning een replica van een vuurwapen werd aangetroffen.
Verzoekster voerde aan dat zij niet vervolgd werd en dat het ontslag onterecht was omdat zij niet was gehoord voorafgaand aan het besluit en dat zij altijd goede beoordelingen had gekregen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verweerder terecht van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en dat verzoekster wel degelijk is gehoord tijdens de procedure.
De rechtbank stelde vast dat het feit dat de strafzaak werd geseponeerd niet betekent dat verweerder geen zelfstandig oordeel mocht vormen over de geschiktheid van verzoekster. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie van verzoekster niet vergelijkbaar was met die van een collega.
Op grond van deze overwegingen wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af, waarmee het ontslag van verzoekster in stand bleef.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en bevestigt het ontslag van de aspirant-agent wegens gebrek aan geschiktheid.