ECLI:NL:RBSGR:2007:BA5646
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- H.F.M. Hofhuis
- Rechtspraak.nl
Geschil over verbindendheid Verordening praktijkuitoefening advocaten onder WID en Wet MOT
De Belangenvereniging van Ondernemende Advocaten (BOA) vordert in kort geding dat de Nederlandse Orde van Advocaten zich onthoudt van het toepassen van de Verordening op de praktijkuitoefening, met name de audits onder het Mandaatbesluit Centrale Controle Verordeningen 2006. De BOA stelt dat de Verordening onverbindend is omdat de Wet identificatie bij dienstverlening (Wid) en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT) al voorzien in een volledige regeling en handhaving, en het college van afgevaardigden van de Orde geen aanvullende verordenende bevoegdheid heeft volgens artikel 29 lid 2 Advocatenwet Pro.
De Orde betwist dit en beroept zich op adviezen van juridische experts die de Verordening als binnen het bevoegdheidsdomein van de Orde beschouwen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de BOA ontvankelijk is in haar vordering en dat er een voldoende spoedeisend belang bestaat. De kern van het geschil betreft de uitleg van artikel 29 lid 2 Advocatenwet Pro, waarin het begrip 'punten, waarin door of krachtens de wet is voorzien' centraal staat.
De rechtbank overweegt dat het begrip 'punten' beperkter is dan 'onderwerpen' en dat de Verordening geen strijdigheid met de Wid en Wet MOT bevat. De praktijk van de regelgeving van de Orde ondersteunt het bestaan van aanvullende verordeningen. Gezien de argumenten aan beide zijden concludeert de voorzieningenrechter dat de Verordening niet onmiskenbaar onverbindend is. Daarom wordt de vordering van de BOA afgewezen en wordt zij veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de BOA wordt afgewezen omdat de Verordening niet onmiskenbaar onverbindend is.