ECLI:NL:RBSGR:2007:BA5857
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser is op 4 mei 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld, nadat hij eerder op 28 augustus 2006 in bewaring was genomen. De eerdere bewaring was op 4 april 2007 opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank onderzoekt of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die nu wel zicht op uitzetting bieden.
De rechtbank stelt vast dat het paspoort, dat verweerder als nieuw feit aandraagt, reeds bij de eerdere bewaring beschikbaar was en dat hiervan destijds gebruik is gemaakt. Er is dus geen sprake van nieuwe feiten die zicht op uitzetting rechtvaardigen. Verweerder voert aan dat soms na lange tijd een positief antwoord kan komen, maar dit levert geen reëel zicht op uitzetting op.
De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig is vanaf 14 mei 2007, de dag van het vertrekgesprek met eiser. Daarom wordt de bewaring met onmiddellijke ingang opgeheven per 22 mei 2007. Eiser krijgt een schadevergoeding van €560 voor de onrechtmatige bewaring en proceskosten van €805 worden aan eiser toegekend. De betaling geschiedt via de griffier van de rechtbank.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting en eiser krijgt schadevergoeding en proceskosten toegekend.