ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6132
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M. Janse van Mantgem
- A.C.M. Rutten
- J.C.M. Swinkels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad bij trage verblijfsvergunning
Eiser, van Jordaanse nationaliteit, verzocht om schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad vanwege de trage afhandeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning om bij zijn echtgenote te verblijven. De rechtbank stelde vast dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn had beslist en het verblijfsdocument niet tijdig had afgegeven.
De rechtbank betrok het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007, waarin is bepaald dat toelating tot Nederland om verblijf bij een echtgenoot mogelijk te maken niet strekt tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen, zoals het recht op inkomen uit arbeid. Dit recht ontstaat pas na toelating. De rechtbank oordeelde dat het belang van eiser om inkomen te verwerven geen rol speelde bij de aanvraag en dat het relativiteitsvereiste niet was vervuld.
Daarnaast was de vordering tot immateriële schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. Psychische klachten van eiser bestonden reeds vóór de overschrijding van de beslistermijn, waardoor niet aannemelijk was dat het psychisch leed aan de trage afhandeling was toe te schrijven.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad wordt afgewezen wegens niet-naleving relativiteitsvereiste en onvoldoende onderbouwing immateriële schade.