ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8004
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
Verzoeker, een Afghaanse man, is ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Hij had eerder een asielaanvraag ingediend die was afgewezen en waartegen beroep en hoger beroep waren ingesteld. De rechtbank had het eerdere besluit vernietigd, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond. Verweerder nam vervolgens een nieuw besluit waarbij verzoeker opnieuw werd afgewezen en ongewenst verklaard.
Verzoeker stelde dat hij ten onrechte ongewenst was verklaard, dat hij geen strafbare feiten had gepleegd, en dat er geen concreet gevaar was voor zijn veiligheid bij terugkeer naar Afghanistan. Hij beroept zich op schending van de artikelen 3 en 8 EVRM en het Verdrag inzake de rechten van het kind. Verweerder handhaafde de ongewenstverklaring op grond van het belang van de internationale betrekkingen en de tegenwerping van artikel 1(F).
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder bevoegd was tot de ongewenstverklaring en dat deze voldoende was gemotiveerd. Verzoeker had onvoldoende concreet bewijs geleverd dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro. Zijn algemene beweringen over gevaar door extremistische groeperingen en zijn verleden als lid van de Democratische Volkspartij van Afghanistan waren onvoldoende onderbouwd. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat verzoeker geen gezinsleden in Nederland heeft.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek tot voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tegen de ongewenstverklaring wordt afgewezen en uitzetting kan worden uitgevoerd.