ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9342
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen terugname asielaanvraag op grond van Dublin-verordening
Eiser, een Mongoolse asielzoeker, betwist dat Nederland terecht is uitgegaan van een terugnameverzoek aan Oostenrijk op grond van artikel 16 van Pro de Dublin-verordening. Hij stelt dat het verzoek feitelijk een overnameverzoek betreft en dat hij niet adequaat is geïnformeerd en behandeld door de Oostenrijkse autoriteiten.
De rechtbank stelt vast dat uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser op 7 december 2006 een asielverzoek in Oostenrijk heeft ingediend. Nederland heeft vervolgens een terugnameverzoek gedaan dat door Oostenrijk is geaccepteerd op basis van artikel 13 van Pro de Dublin-verordening, waarmee Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank volgt eiser deels in zijn uitleg over de toepasselijkheid van artikel 16, maar dit verandert niets aan de afwijzing van zijn asielverzoek op grond van artikel 30 Vreemdelingenwet Pro 2000.
Verder oordeelt de rechtbank dat het verzoek om overname tijdig is ingediend binnen de gestelde termijn van drie maanden. Eisers bezwaren over het niet naleven van termijnen en het niet respecteren van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden niet gevolgd, mede omdat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
Ten slotte is niet gebleken dat medische omstandigheden een overdracht aan Oostenrijk in de weg staan. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de procedure wordt gesloten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het asielverzoek wordt afgewezen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling.