ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9882
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijtelling vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang in inkomstenbelasting
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2000, waarin een bedrag van ƒ 420.000,- is bijgeteld als vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang. Dit bedrag betreft het verschil tussen de vastgestelde verkrijgingsprijs van aandelen per 1 januari 1997 en de verkoopprijs in 2000.
De rechtbank stelt vast dat de verkrijgingsprijs onherroepelijk is vastgesteld bij een eerdere vaststellingsbeschikking conform artikel 20i van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Eiser heeft verzocht deze vaststelling te herzien, maar dit verzoek is afgewezen en de rechtbank heeft in een samenhangende zaak het bezwaar tegen die afwijzing gegrond verklaard, waardoor de vaststellingsbeschikking onherroepelijk bleef.
De rechtbank oordeelt dat de vaststellingsbeschikking als een feitelijke omstandigheid moet worden beschouwd bij het vaststellen van de materiële belastingschuld. Eiser heeft onvoldoende feiten gesteld om aan te tonen dat de vastgestelde verkrijgingsprijs onjuist was op de waardepeildatum. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de ongelijke behandeling van een andere aandeelhouder het gevolg is van een niet meer te herstellen fout. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en gelast de Staat vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de bijtelling van ƒ 420.000,- wegens vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang blijft gehandhaafd.